maandag 1 januari 2018

Ontnozeling (1)


Ook in mijn vak viel de hele maand december ten prooi aan lijstjes, met Beste Boeken. Ik heb ze nooit begrepen. Tot aan het laatste uur van een jaar valt er te lezen. En al is een slotsom pas in een nieuw jaar op te maken, dan nog blijft zo’n lijst bizar. Bij de overproductie die de boekenbranche evengoed vertoont, is elk overzicht illusoir.
Zelf vind ik het als simultaanlezer al een klus om op één week teksten uiteen te houden.
Voor literatuurbijlagen kan het lijstjesritueel zelfs pervers heten, getuige het geringe aantal boeken dat er aan de orde komt. Het heeft iets onbeschaamds het mattheuseffect te benadrukken door recensenten en merknamen andermaal aan het woord te laten.
Afgelopen jaar frappeerde me wel een trend, die uitgerekend in één van de lijstjes onderstreept werd. Een boek van Gloria Wekker, eindelijk in vertaling verschenen, was een uitverkorene:

Witte onschuld is een etnografie, een studie van de manier waarop wit Nederland naar zichzelf kijkt, aan de hand van het idee van het cultureel archief. Dat archief is een verzameling praktijken, gevoelens en ideeën die het gevolg zijn van de raciale ordening van de wereld, zoals die vorm kreeg door het imperialisme van naties als Nederland.
Ook het idee dat ‘wij’ een bescheiden land zijn, onschuldig, post-raciaal en rechtvaardig, dat een bijzondere rol in de wereld te vervullen heeft, is onderdeel van het zelfbeeld dat Wekker beschrijft. Het woord ‘onschuld’ betekent hier zowel ‘niet weten’ als ‘niet willen weten’. Wie dit boek leest zou de huidige Nederlandse samenleving beter kunnen begrijpen, met aandacht voor de manier waarop het verleden in het heden aanwezig is.

Ik vind dit ook een belangrijk boek – terecht dat Wekker onlangs onderscheiden werd met de Joke Smitprijs. Wel is het valse zelfbeeld van ‘wit Nederland’ allerminst een ontdekking. Ik zou het een klassieker noemen, een cliché dat rijmt met het boekomslag van een molen op een Delftsblauw tegeltje.
Het is Wekker niet aan te rekenen dat haar studie tegemoetkomt aan witte verlangens van wat als zelfkritiek wordt beschouwd maar essentialisme behelst. Decennia geleden verwees het postmodernisme dat artikel naar de mesthoop. Het is sinds kort herrezen. De genre-aanprijzing ‘etnografie’ onthult (Van Dale: ‘beschrijvende volkenkunde’).
In 2007 baarde Máxima Zorreguietta opzien door de evidentie te verwoorden dat dé Nederlandse identiteit niet bestaat. Tien jaar later wordt die klok teruggedraaid door witte intellectuelen die vooruit willen streven. Tenzij mij iets ontgaat, doet die pertinentie waarmee zij koloniale wantoestanden als bewijsmateriaal opvoeren ijdel aan.

Wekker zegt in White Innocence dat witten terughoudender mogen zijn tegenover ervaringen van zwarten. Goed om zich in te prenten. De trend die ik denk te zien, vervalt echter in het andere uiterste: zwijgen. Ik noem het kritiekloze kritiek.
Ze uit zich in halfwassen recensies. Waar voorheen ideologisch beladen auteurs werden vermeden door hun een interview te bieden, zij ze alsnog object van besprekingen. Deze beperken zich echter tot het gedachtegoed en laten zich erop voorstaan daar vanuit ‘geprivilegieerd wit standpunt’, dat bovendien met onhoudbare criteria als ‘kwaliteit’ schermt, niet over te willen oordelen.
Ook bij de schrijnende #metoo-problematiek bespeurde ik soms die houding. Aanklaagsters kregen bij voorbaat gelijk.
De witte zelfkritiek bestaat er dus uit, expliciet bescheiden te outen niet gerechtigd te zijn tot kritiek op zwakker geachte anderen. Bij die toch wat pontificale solidariteit komen tegelijk verboden aan kleurgenoten die een ander inzicht zijn toegedaan. Het mogen en moeten is terug, met verkrampte taalsamenstellingen die voor een groot publiek slechts toegankelijk zijn als mantra.
Ik ben een voorstander van politieke correctheid, maar begin de motor te begrijpen achter wat beschaafde minachting blijkt te heten.
Wat hier gebeurt is al eens gebeurd, in mei ’68. Helaas kwam de toenmalige protestgeneratie, die evenzeer onrecht wilde tegengaan, uiteindelijk unisono onder vuur. Ik heb die tegenkritiek altijd betreurd en opportunistisch gevonden, gelet op de verworvenheden van studentenprotesten. Maar de achilleshiel lag in de acceptatie van systemen die bewust niet werden onderzocht – kritiek was zelfs de kortste weg naar uitsluiting.
Punt is volgens mij dat je je kunt engageren met elke denkbare zwakkere, maar dat die verklaring in het performatieve blijft steken zolang er niets wordt uitgewisseld. Erkenning is bijna alles. Toch wil je van een vriend niet horen: ‘Je hebt gelijk’. Misschien is het geweldig om anderen onvoorwaardelijk te geloven, maar ik denk niet dat je hen daarmee serieus neemt.
In die overtuiging werd ik gesterkt door een boek (non-fictie). Het heet Spelen in zwarte sneeuw, en is geschreven door kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen. Hij wijst op twee frames waarmee jeugd in een achterstandspositie traditioneel werd bejegend: ‘Het Onschuldige Slachtoffer’ en ‘Het Blok aan het Been’. Beide frames lauwerden de bovenliggende partij, die edelmoedig anderen kon helpen of die hindernissen voor de eigen marsroute uit de weg ruimen.
Volgens Vanobbergen respecteer je kansarme kinderen, wanneer hun ervaringen en kritiek het voorrecht genieten van wederkerigheid. Spreek terug!, maant hij. Wie alleen maar knikt of verwerpt, cultiveert een cliënt-professional-relatie. Pas wanneer je enthousiasme en empathie kan paren aan oprechte vragen en twijfels verleen je aan een ander een autonome status.

Mijn posting wil zo nodig een trend signaleren, maar kunst mag van mij echt de maatschappij in. Ik hoop een ander interessant boek te kunnen misbruiken voor een alternatief.
In de interviewbundel Het laatste taboe. Kunstenaars en inkomen trachtten alle sprekers, tegen het rendementsdenken in, een vanzelfsprekend belang van kunst te vertolken. Maar niemand kwam in de buurt. Wel viel meermaals de klacht dat aan kunstenaars makkelijk wordt gevraagd iets gratis te doen ‘voor de goede zaak’.
Hoe vaag die goede zaak ook mag zijn, de formulering suggereert een betekenis die publiek en zelfs gemeenschappelijk is. Beeldend kunstenaar Hans van Houwelingen signaleert dat de publieke zaak ooit in het teken stond van volksverheffing, en dat kunst nu hooguit wordt ingezet om kiezers te behagen. En zich dus te verlagen.
Van Houwelingen meent dat het gewenste én geproduceerde kunstwerk bewust onnozel is. En dan lijkt de oplossing nabij: ‘Het wordt tijd om weer te ontnozelen.’ Mij trekt dat idee, ook voor letterenbijlagen die lijstjes Beste Boeken van het Jaar wensen.
Wat zou het opleveren als recensenten zich solidair betonen met auteurs én geïnteresseerden door geen opdrachten meer aan te nemen onder 1000 woorden per bespreking? Is dat toekomstmuziek of een valse noot?
Ik durf het bijna niet te zeggen, maar uit 2017 herinner ik me een paar titels. Welja, laat ik het nieuwe jaar beginnen met een vervolgverhaal.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten