vrijdag 12 mei 2017

Godzijgeprezen




Bij de recentste toekenning van de P.C. Hooft-prijs, voor het genre van het essay, lijkt er iets te zijn misgelopen. De wereld heeft vernomen dat de eer gaat naar Bas Heijne, volgens mij door een administratief slordigheidje.
Daarmee wil ik Heijnes capaciteiten niet betwisten. Aan zijn recentste boek Staat van Nederland is een interview toegevoegd met de scoop dat zijn ‘zijn naam al jaren rondging’. Wel liggen zijn teksten mij niet zo erg, ik vind ze eigenlijk al meer dan een decennium hetzelfde punt maken, maar ze bereiken ook België geregeld, waar ze als kritisch-realistisch gelden. En Heijnes collega’s vinden hem de beste.*
Waarom denk ik toch dat de prijs per abuis aan hem is toegekend? De afhandeling wordt overgelaten aan een stagiaire die met wat copy-and-paste het dossier gewicht moet geven. En dit jaar zal het een hamerstuk geweest zijn. Zo evident dat het bestuurslid van de prijs even niet op de naam kon komen.
‘Dé columnist van NRC Handelsblad’.
Misschien past het wel bij Maxim Februari dat hij door zo’n misverstand wordt gepasseerd. En draagt hij het wederom op zo’n waardige wijze, dat het beter wordt zijn verhaal door te vertellen. Hij is de enige columnist die ik volg vanwege zijn onthechtheid die het toestaat een professionele omgeving samen met zichzelf te beoordelen zonder verlies aan solidariteit.
Zijn columnbundels Park Welgelegen en Ons soort mensen waren dan ook, zoals dat heet, gebeurtenissen. ‘Er staat iets op het spel.’ Waarschijnlijk wijkt Februari’s werk hierom af, omdat hij zich een echte onderzoeker betoont.
Zou een andere schrijver in het Nederlandse taalgebied genres zo vernieuwd hebben? De zonen van het uitzicht herzag de roman, God. Een collage de bloemlezing, Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek het doctoraat, De maakbare man de autobiografie… Daarom beschouw ik Februari als een oer-essayist. Dit lijkt een scheldwoord, maar ik bedoel het complimenteus.
Dat het naar klinkt, komt misschien door de stortvloed van ‘literaire non-fictie’, van schrijvers aan wie eigenlijk die naam niet toekomt maar die veeleer het honorabele vak van journalist of wetenschapper beoefenen. Die het allemaal wel erg goed weten.
Mijn compliment geldt een beweeglijkheid die opportunistisch noch snobnomadisch is. Door essayistiek lopen dan ook twee lijnen: studie en moraliteit. Ergens, hopelijk niet in het oneindige, snijden ze elkaar in een punt dat de waarheid heet.

Ik begrijp niet dat voorafgaand aan de toekenning van de recentste P.C. Hooft-prijs er, nota bene in een column, twijfel is gezaaid over de relevantie van het essay voor de huidige tijd. Romans en desnoods poëzie zouden voorrang mogen krijgen.
Op basis waarvan is die bewering gedaan? Volgens mij bestaat er consensus dat Multatuli een zeer groot literair schrijver was. En in de kern is hij een essayist die fictionele technieken op de koop toe neemt.
Hij is niet de enige. Op het gevaar af namen te vergeten: Carry van Bruggen, J. van Oudshoorn, Til Brugman, W.F. Hermans, Paul Rodenko, Christine D’haen, Willy Roggeman, Jan Hanlo, Sybren Polet, Tip Marugg, K. Schippers, J.F. Vogelaar, Kees Ouwens, Jacob Groot, Pol Hoste, Frans Kellendonk, Charlotte Mutsaers, Patricia de Martelaere, Joris Note, Anneke Brassinga, Dirk van Weelden, Marie Kessels…
Naar mijn overtuiging is er, ondanks of dankzij de non-fictie, nog steeds toekomst voor het genre. Bijvoorbeeld Netwerk in eclips van Samuel Vriezen benut de heterogeniteit die goede boeken aankleeft maximaal. Er zijn ook blogposts en comments in verwerkt, bij mijn weten voor het eerst in een essay, dus het boek is zelfs formeel al mee.
Volgens Vriezen moet voor vernieuwing (de impliciete definitie van het ambacht van de essayistiek) het primaat van de krant opgegeven worden, samen met de droom een centrum te veroveren. Wie nu denkt dat hij ‘een ouderwetse avant-gardist’ is, met dito clichés over ‘de marge’, vergist zich. Tenzij die persoon wordt bezien als een individu dat in onderzoeksnetwerken gemeenschapsdienst verricht.
De ideale blog volgens Vriezen spreekt informeel, en is dus een podium voor uitwisseling. Het geeft bovendien de mogelijkheid een hyperlink aan te brengen, naar een zijspoor. Ook daarin floreert essayistiek, waarbij de rol van de lezer me veel bepalender lijkt dan bij proza of poëzie.
Uit het te raadplegen deel van het juryrapport voor Heijne: ‘Hij schrijft als een denker én denkt als een lezer.
Verder puilt Netwerk in eclips in montaigneaanse geest uit van de citaten, waarop de auteur-verzamelaar kan voortdenken. Als een architect bijvoorbeeld de noodzaak van originaliteit bepleit, reageert Vriezen:

‘Om deze opvatting van originaliteit te kunnen waarderen moet je af van elk idee dat originaliteit een al dan niet wenselijke eigenschap van een werk of oeuvre is. Liever: origineel is diegene die in staat is om het eigene van zijn situatie te begrijpen – waarzonder overleving niet mogelijk is. En elke situatie, in welk premodern, postromantisch, experimenteel of eventueel volstrekt traditioneel paradigma gelegerd dan ook, is iets eigens dat begrepen moet worden, dat je enkel tot je schade niet begrijpt. Originaliteit is dan een universeel gegeven – dat misschien door zekere takken van het romantisch denken gethematiseerd is, maar daarmee niet enkel aan die artistieke opvattingen vastzit. (…) Bij originaliteit gaat het er niet om dat ik iets zeg wat nog niet is gehoord. Het gaat om de mogelijkheid om een stem van buiten te horen. Deze stem van buiten is niet mijn stem; het is ook niet een stem die het Buiten of de Stilte of het Niets zelf toebehoort en hoorbaar maakt, maar een stem die spreekt over onze situatie en in onze taal; alleen, op een vreemde manier. Vreemd tenminste voor diegene die het vreemde in zijn eigen taal kan – wil – horen.’

De P.C. Hooft-prijs pretendeert godzijgeprezen kwaliteitsoordelen te vellen – zoals de columnist al zei: zonder nominaties, stemmen of weddenschappen. De oer-Hollander in mij is ondertussen benieuwd naar wat Heijne ‘met het geld gaat doen’. Hij schijnt het te moeten investeren in een bijzondere uitgave.
Spannend was zijn project Kleine filosofie van de volmaakte mens, dat verhoudingsgewijs wetenschappelijk was. Mag er ter gelegenheid van PCH een tikkeltje meer essay in?

*Maarten Dessing vermeldt voor Septentrion dat sociologische feit eveneens, plus het ontbreken van commotie nadat bekend was geworden dat de P.C. Hooftprijs naar Heijne ging. Maar dit onderstreept dat er geen literaire kritiek meer bestaat. En dat controverses alleen nog anekdotisch kunnen zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen