dinsdag 8 augustus 2017

‘Niet zonder humor’




Joris Luyendijk zegt ook in zijn recentste boekje Kunnen we praten dat men voor media snel de boodschap moet brengen. In 28 seconden, telt hij. Nog een hele spanne tijds, maar het haantje in mij vermoedt dat punt in 5 seconden te kunnen vertolken. Met een legendarisch citaat van Herman Gorter namelijk: ‘O God! ik sta aan de verkeerde kant’.
Kunnen we praten verweeft twee argumentatielijnen. Aan de ene kant is er Luyendijks opmerkelijk late besef van verwante ontwikkelingen in vele sectoren. Hij benoemt ze als Sluipende Verbouwing. Daaronder vallen flexibilisering, privatisering, fusies en ‘harmonisering’ die ontslagen paren aan een overdaad aan managers, uitbesteding en rapportageplicht. De kiem voor deze wending ontwaart Luyendijk rond 1980 bij Reagan/Thatcher, met hun instapcitaten inzake overheid en samenleving (anderen leggen de oorsprong vroeger).
Daartegenover weegt de bestsellerauteur zijn eigen positie van witte, hoogopgeleide man. Bijvoorbeeld dat hij op de televisie goed lag bij de doelgroep ‘vrouwen boven de vijftig’. Ook bekent Luyendijk het vertrouwen in de politiek verloren te hebben. Zoals velen, andersdenkenden vooral, die vóór Brexit, Trump en/of Wilders zijn en in wie hij zich tracht te verplaatsen. Met wie hij raakvlakken ziet, soms.
Ik moest denken aan Luyendijks vorige boek Dit kan niet waar zijn waar een getuige gewoontes van beurstraders op de werkvloer schilderde. ‘De toiletten zien er vreselijk uit, geen idee waarom.’ En de vrouw van een manisch toegewijde jonge bankier wist over de keuken van het appartement dat hij met een vriend in de City deelde: ‘te erg voor woorden’. Nu schijnen er in de omgang met afval al overeenkomsten te bestaan tussen hoogste en laagste klassen, maar het gaat me erom dat het doek van inzicht alleen weggetrokken kan worden als acteurs en toeschouwers tegelijk zichtbaar raken.
Zo tracht Kunnen we praten een begin te maken met een consequenter anti-essentialisme, door geen intentieprocessen te voeren. Dan is er geen plaats meer voor de academisch witte zekerheid dat Zwarte Piet racistisch is, wel voor de nuance dat deze figuur als racistisch wordt ervaren (een trend bij witte theatermakers is gesignaleerd dat ze zelf verhalen van zwarte gemarginaliseerden vertellen).
Toch heeft het iets koddigs dat Luyendijk zich tegenover een grote groep mensen en hun boodschappers als cultureel antropoloog opstelt. Misschien blijven zijn 96 pagina’s vooral bij door de wens zichzelf niet te sparen – en daarbij de klip van het narcisme te omzeilen. Treffend is de schets van zijn bubbel. En de bekentenis op de slotpagina ‘Ik weet het ook niet meer.’ Wederom doneert de auteur echter uitsluitend eigen redenaties. Zijn boek sluit af waar het zou kunnen beginnen met andere werelden. Die waren daarna drie weken lang kennelijk exclusief voor de website kunnenwepraten.nl.
Achter die titel staat geen vraagteken. Gorter moet misschien toch nog even wachten.
Hoe geloofwaardig kan Luyendijk zijn voor andersdenkenden? Bij de Brexit merkt hij op: ‘Een aantal Nederlanders die al tientallen jaren in Groot-Brittannië wonen zijn al door de overheid gedreigd met deportatie.’ Aandacht vraagt niet zozeer dat rare passieve ‘gedreigd’, als wel ‘deportatie’. Dit woord verbindt men toch vooral met de Tweede Wereldoorlog? Of verdring ik als Nederlander van geboorte daarmee koloniale misstappen? Ik kan me indenken dat Luyendijks gebruik van het woord verwend overkomt.
Toevallig las ik een ander boek met ‘deportatie’ in een schijnbaar oneigenlijke context. Alfred Birney laat in De tolk van Java de tirannieke vader in een krappe woning plots een cyperse poes aan het gezin onttrekken: ‘We komen er niet achter wie verantwoordelijk is voor de deportatie van onze knuffel.’ Hier zal het woord minder storen.

woensdag 2 augustus 2017

Nederland o Nederland





Amper waren we de grens over, of daar was het bordje al: ‘fietspad. dus niet brommen.’ Swiebertje ahoy! Maar Spakenburg bracht de variant ‘dus niet snorren’. Van Dale geeft bij dit werkwoord ‘onder het maken van een ruisend of gonzend geluid snel voortbewegen, m.n. door de lucht’ en ‘met een rijtuig rondrijden om te zien of men een vrachtje kan vinden’ en ‘in een snorder ergens heen brengen’. Wat gebeurt daar allemaal aan de voormalige Zuiderzee?

In een Leerdamse supermarkt zeurt een puber bij zijn moeder om vissticks. Als hij eindelijk zijn zin heeft gekregen, eist hij sla. De moeder, beslist: ‘Die kopen we niet’. ‘Waarom?’ antwoordt de jongen uiteraard. ‘We hebben sla in onze tuin.’ Ik geloof dat de verontwaardiging van de jongen gemeend was: ‘Maar moeder, je gaat toch geen sla uit de tuin halen wanneer je die gesneden en gewassen kunt krijgen?’

Doorn, zondagmorgen. We peddelen door een ongeveer twintig meter lang straatje. Het is verlaten, op één man na. Hij beent op ons af en zwaait met zijn wijsvinger naar ons vieren, één voor één. ‘Het is verboden hier te fietsen.’

Elke avond herlees ik op de E-reader een hoofdstuk uit De eindeloze jaren zestig van Hans Righart. Daar construeert hij een waterscheiding met voorafgaande decennia, waarin men zich zou hebben beziggehouden met vervelen. Op de campings die we bezoeken heerst die sfeer continu. Ook zijn de mensen er restloos wit. Überhaupt hebben we in Nederlandse provincies geen allochtoon opgemerkt.

Een paar jaar geleden ontwaarde ik in Nederland een ampersandeconomie, waarbij de middenstand dit grafische teken gebruikte om ongedwongenheid te suggereren & zo. Die trend lijkt nog gaande. Tegelijk prefereren steeds meer winkels de uitgang -uys boven -uis. Een Kookhuys en Eethuys bieden kennelijk homogene, ouderwetse kwaliteit. Wel geven hun specificaties als Bits & Bites en Drinks & Dinners dan tegenstrijdige signalen af.

De wegkapitein zegt over aangename zaken en ervaringen ineens vaak: ‘Hoe xxx is dat.’ Ergens komt die uitdrukking bekend voor, maar waarvan? How Sweet It Is To Be Loved By You?

woensdag 12 juli 2017

Op Linkeroever





Lang geleden nog eens door de voetgangerstunnel met zijn houten roltrappen te zijn gegaan.
Toen ik in de zomer van 2001 in het centrum van Antwerpen kwam wonen, was er aan de overkant van de Schelde de aankomst van een Touretappe. In de tunnel ernaartoe was het al druk, maar ter plekke leek alles domweg dichtgeslibd. Even later voegde zich daar lawaai van de reclamekaravaan bij en vooral van helikopters.
En toen won Mark Wauters. Volgens het grote scherm althans. Ik heb zelfs bij benadering nooit geweten hoe ver van de finish ik had staan wachten in de zon.
Wel begreep ik ‘op Linkeroever’ te zijn geweest, en niet ‘aan de Linkeroever’ die Nederlanders, een uitzondering niet te na gesproken, ervan plachten te maken. Vanaf toen ging ik ook niet meer ‘naar het café’ maar ‘op café’.
Hooguit een of twee weken later, beweert mijn herinnering, was het echt raak op Linkeroever. Toen speelde Compagnie Marius één van haar Pagnol-bewerkingen. In een hangar die uitkeek op de Schelde. Weer was het warm, dus trof het extra dat de Compagnie haar voorstelling had vergezeld van pastis (en brood en olijven?).
Later werd me duidelijk dat eten en drinken integraal tot Compagnie-voorstellingen behoren. Ze duren uren, zodat de verzorging van keel en maag van zo’n gebeurtenis ook werkelijk een soort uitstap maakt in een andere wereld.
Ik weet niet. Voor pijnbestrijding blijkt er zoiets te bestaan als een katholieke en een protestantse dosis. De hoeveelheid morfine in de protestantse variant is de helft van de gangbare dosering, om lijdensverlichting niet te overdrijven. De katholieke hoeveelheid is juist dubbel zo sterk, dus viermaal de protestantse.
Ter indicatie van hoe ik voor de bijl ging: Marius hanteert het katholieke principe. En zelf vond ik me door de jaren heen – ik woonde al lang elders –verzaligd terug in een broeierige polder bij Hoboken, in de stortregen van het Middelheim, in de avondfrisheid van een park bij het Atomium.
Was me van die eerste voorstelling vooral het komische talent van Günther Lesage bijgebleven, spoedig snapte ik dat de drijvende krachten Waas Gramser en Kris Van Trier waren. Hoeveel rollen ze ook binnen één voorstelling opnemen, blind zou ik ze aan hun stemmen kunnen herkennen. De schrille van Gramser, de hese van Van Trier.
En zo verstaanbaar, zelfs voor een domme Hollander!
Inmiddels meen ik de eigen Compagnie-tribune te herkennen en begint het ervaringsconcept zo mogelijk nog consequenter te worden. En ecologischer. Alles is verplaatsbaar geworden. Containers, terrasconstructies uit drijfhout, toiletten met zaagsel,…
De Compagnie lijkt alle kaarten te zetten op nostalgie. Maar tegelijk maken de humor en de zich schijnbaar bij toeval aandienende ogenblikken van improvisatie op en defictionalisering van het betreffende klassieke toneelscript elke identificatie onmogelijk.
Vergelijk het met wat Jeroen Olyslaegers doet in zijn roman Wij, gesitueerd in de legendarische zomer van 1976. Hij laat personages dansen op Le Freak van Chic uit 1978. Wel met de kanttekening: ‘Speelt er een demon met het collectieve geheugen?’ Bij de legendarische Disco Duck van Rick Dees and His Cast of Idiots ontbreekt die kanttekening, terwijl dat in september 1976 werd uitgebracht. Maar in de roman zijn ‘de kinderen [er] al de hele zomer gek op’. En verderop zingt Abba ‘voor de duizendste keer’ Chiquitita, waarmee vanuit een zwembad iedereen meebrult – knap voor een nummer uit januari 1979.
Uiteindelijk schreef Olyslaegers dus geen historische roman maar sciencefiction. En brengt de Compagnie in haar integraal andere werkelijkheid feitelijk een aaneenschakeling van momenten. Bestaat er zoiets als ecologisch toneel? Een bricolage vol hergebruik, zoals hun decor en culinaire randbouwsels?

maandag 3 juli 2017

De eerste keer




Op het eerste gezicht is Vroege werken van Jan Postma een boek om mild van te worden. Pontificaal tegen elke marktlogica wordt het als essaybundel gepresenteerd, mede door een fransoos formaat, zoals de uitgeverijen De Gelaarsde Kat en Het Balanseer dat deden bij oer-essayist Dirk Lauwaert.
Prettig is ook dat Postma, net de dertig voorbij, op de achterflap zijn ironische titel Vroege werken begrenst. Hij stelt dat geforceerde grappigheid niet lang vol te houden valt. Dat doet hij in een vraag- en antwoordspel, dat schwung geeft aan de informatieve reclameconventie op de bepalendste plek van een boek.
Misschien nog meer dan de titel geeft zo’n ingreep een indicatie van behagende metabewustheid. Postma gaat bijvoorbeeld niet in op de toch wat bizarre vraag of het boek ‘zware kost’ is, en somt tussen de behandelde onderwerpen wel op: ‘Kim Holland in de schaduw van een kerncentrale’. Wie hier nieuwsgierig van wordt zal teleurgesteld raken, al was het omdat in de passage de reporter vanuit de auto door zijn partner op de pornokoningin moet worden geattendeerd. Over de kerncentrale, waar ze toevallig langskomen, evenmin nieuws.
In Vroege werken presenteert Postma zichzelf als een verstrooide intellectueel, met het hart op de goede plaats. Een psychologiserende opmerking, zeker voor het essaygenre. Maar ze wordt gesteund door een massa anekdotes die boek deelt, alsof Vroege werken bekentenisliteratuur is.
Wacht even, zat die paradox al niet bij Montaigne, verklaard uitvinder van het essay? Ook deze zestiende-eeuwer sprong van de hak op de tak. Zijn stapelteksten wemelden van ‘weetjes, citaten en bekentenissen’ zoals Alexander Roose dat in zijn studie De vrolijke wijsheid zei met een drieslag.
Hoe komt het dan dat Postma niet aan Montaigne doet denken? Ik vermoed dat hun doel verschilt. Het zestiende-eeuwse prototype analyseerde, zocht naar een antwoord. Daarom zijn diens ‘Over’-titels passend, terwijl ze in de ondertitel staan bij zijn eenentwintigste-eeuwse nazaat. Deze rekent op afdwalingen, memoreert een tocht die geen resultaat hoeft te hebben en waarbij de staties zich bij toeval aandienden.
Doel is bij Postma louter de geografische plaats, bij de kerncentrale. Evenmin toevallig lijkt dat de inhoudsopgave van Vroege werken, nog een teleologisch of ambtelijk boekfacet, niet helemaal klopt.
Hoewel Montaigne meester van de openhartige zelfkritiek is, steekt Postma hem naar de kroon. Hij kampt met een metabewustzijn. Zo kan hij op een vrije dag naar een terras gaan, alwaar koffie en sigaret en boek, en melden: ‘Het had iets van een slechte imitatie en terwijl ik daar zat vroeg ik me af waar de grens tussen een gewoonte en een parodie op vroeger geluk lag’.
Doordat Postma’s brein de wereld op afstand houdt, is het makkelijker te verdragen zo schaamteloos met zijn ik te worden geconfronteerd. Ook omdat die schaamteloosheid niet concreet wordt. Zelfs bij Postma’s ‘eerste keer’ krijg je iets anders dan de achterflap belooft en dan Montaigne waarmaken zou.
Misschien is het boek Vroege werken als geheel braaf, ten koste van vele prachtige passages. De inval om de vanity-search ‘Jan Postma’ om te zetten in het uitpluizen van een beroemde naamgenoot – die in de oorlog verzetsstrijder was, ook op blijkbaar duister aandoend ideologisch gebied – leidt tot beschrijvingen van archiefwerk, en van reisjes naar plaatsen van handeling.
Doet Postma nu mee of niet?

zaterdag 1 juli 2017

Kritisch terugpoetsen (de karikaturale hoofdletter)?



Onlangs dacht ik hier de slimmigaard uit te hangen door te verwijzen naar een comment dat ik elders had geplaatst. Dat houdt de tent netjes hier wel zo opgeruimd.
Maar nu blijkt die site (rekto:verso) niet meer aan comments te doen, dus vrees ik alsnog mijn kamp te moeten volstouwen. Mijn commentaar ging over een recensie van Mia Vaerman op het Klein lexicon van het managementjargon (2016) door Rudi Laermans, Lieven De Cauter en Karel Vanhaesebrouck.
Misschien kwam het doordat ik dat boek net had gelezen dat ik niet veel van die kritiek begreep. Vaermans uiteenzetting valt nog altijd daar te raadplegen, en hier volgt dan nu vanuit de binnentent wat ik daarop te betweten had:

Heb ik recent hetzelfde boek gelezen? In de opsomming van al dat opgeklopte Engels systematiseert het lexicon volgens mij termen die al decennia rondslingeren. Ze zijn clichés geworden voor gelijkgezinden of voor hen die de hoop hebben opgegeven. En begrijp ik het goed dat volgens Mia Vaerman dit boek over taal zou gaan, desnoods als geniepig middel? De tekst ageert toch domweg tegen ‘het’ neoliberalisme dat er maar niet in slaagt inclusief te worden?
Inderdaad verwijzen de lemma’s voortdurend naar elkaar. Het boek vertelt steeds hetzelfde verhaal, zich legitimerend met usual suspects van wie het signalement er enkelen aanhaalt. Paradoxaal is dat de lemma’s door ideologische dubbelzinnigheden bloot te leggen taal uiteindelijk terugbrengen tot een set van enkelvoudige betekenissen die, stomtoevallig natuurlijk, met elkaar in een hyperlogisch verband staan.
Hun boodschap heeft zelfs zoveel urgentie dat de auteurs tot tweemaal toe Luceberts overbekende ‘alles van waarde is weerloos’ aanhalen, zonder er het feitje bij te vermelden dat die regel, hun stellingen ondersteunend, de slogan werd van een verzekeringsmaatschappij.
En omdat het zonder meer intelligente lexicon is opgesteld in een stijl zonder finesse maar met een aandrang voor aforismen, wordt het lezen op den duur vermoeiend, en ergerlijk door de wandtegeltjeswijsheden. Vaerman citeert er nota bene eentje, waar een opzichtige literaire verwijzing in zit: ‘Iedereen moet een onderneming zijn in het diepst van zijn gedachten’.

Voor gedesillusioneerden geeft het boek een lemma dat geen managementjargon is, want het bekritiseert: ‘graaicultuur’. En voor gelijkgezinden volstaat bijvoorbeeld het woord TINA, waarbij de auteurs ‘steekwoorden’ geven (privatisering, deregulering, flexibilisering). Mij ontgaat wat Vaerman bedoelt met: ‘In de jaren ‘80 injecteerden Margaret Thatcher en Ronald Reagan voor het eerst het bedrijfsjargon in hun politieke uitspraken.
Voor alle potentiële lezers geven de auteurs bij een frame het allerminst inclusieve voorbeeld van ‘noest werkende Vlamingen’ versus ‘luie Walen’. Nogal een, eh, afbreukrisico.
Dit lexicon scoort voor open doel. Toch loont dat niet eens altijd voor mensen die tot hetzelfde team horen. Om maar wat te noemen: verhelderend zou het zijn om te achterhalen in hoeverre de drie auteurs niet besmet zijn door de ziekte die ze diagnosticeren.
Ze gebruiken bijvoorbeeld onbesmuikt de uitdrukking ‘de focus leggen op’ en ‘focussen’ – Christophe Van Gerrewey berichtte ooit al over die bizarre noviteit. Ook weet het nawoord: ‘Meer flexibilisering werd een must’. Solo prees De Cauter onlangs in een open brief ‘competenties’ aan (van Rachida Lamrabet), gesteund door zo’n tweehonderd anti-neoliberalen.
Dit alles vind ik voor de goede orde geen schande. Wel een extra aanleiding om óók anti-neoliberale teksten onder de loep te nemen. Hoeveel mensen zien immers al geen ‘uitdaging’ (challenge) om iets aan de maatschappelijke ongelijkheid te veranderen?
Zelf schrijft Vaerman hierboven dat woorden een mentaliteit ‘creëren’. Zou ‘scheppen’ of ‘maken’ te weinig gewicht in de schaal leggen?
Mijn besmettingsbeeldspraak wil aansluiten bij het sluipend gif dat de auteurs in taal proeven. Elders is al geconstateerd dat ze hierbij letterlijk – zonder bronvermelding – citeren uit de fameuze studie LTI van Victor Klemperer. Daarnaast hoop ik met de besmettingsbeeldspraak een voorbeeldje te geven van taal die steunt en argumenteert op versteende metaforen. En die werkelijkheid lijkt me pas echt onderzoek waard, temeer daar ze niet dikwijls zo wordt ervaren.
Het lexicon bevat nogal wat van die metaforen, en ik vrees dat het signalement er vol mee zit. Vanaf het begin: ‘dat managementtaal (…) onze hele [sic] cultuur heeft overwoekerd. (…) vertakte zich snel als taaie klimop verder (…) om uiteindelijk (…) tot in de diepste poriën van onze identiteit te sijpelen. (…) aangetast (…) valt overboord.’
Misschien zal het onderzoek besluiten dat het voor iedereen onontkoombaar is niet een beetje ziek te zijn. Dat de titel van het signalement onaangenaam gedachtegoed ‘doorprikt’ waagt te noemen, lijkt daar al een bewijs van. Onbekommerd gebruik door de auteurs én recensent van de uitgeholde begrippen ‘vorm’ en ‘inhoud’ doet de rest.

Houdt een discoursanalyse dus ooit op en verkeert elke spreker onder het regime van wat de auteurs mooi benoemen als ‘heteronome autonomie’? Of denkt alleen hij, om in stijl te blijven, de perfecte match met de taal te hebben voor een click met de wereld? Dat zou een tragische toestand zijn, die bijvoorbeeld notoir is van antifascisten die in hun taal Julius Streicher naar de kroon steken (ai, versteende metafoor!).
Vandaar dat het lexicon bij mij uiteindelijk een tegeninstructie oproept: practice what you preach.
Is de kant-en-klaar behapbare vorm van het lexicon bijvoorbeeld zelf geen voorbeeld van de vermarkting van een tegenidee? De hopeloos omslachtige titel en ondertitel Klein lexicon van het managementjargon. Een kritiek van de nieuwe newspeak heeft er twee eindrijmen voor in petto. Terwijl het filosofisch klinkende ‘Een kritiek van’ die vermarkting misschien tracht weg te poetsen.
Boeiend vind ik Vaermans observatie dat de auteurs ‘als één spreken’ omdat de lemma’s niet zijn ondertekend. Zouden de uiteenlopende lengtes geen signaal kunnen zijn voor een meervoudig vertellerschap? En hoe komt het dat op het omslag de auteursnamen in een atypische volgorde staan: Laermans, De Cauter en Vanhaesebrouck? Is dit een impliciet protest tegen of juist bevestiging van het statuut van de eerste auteur in wetenschappelijke teksten?
Ik ben ook benieuwd waarom Vaerman de auteurs ‘de bijwijlen zeer Marxistische inslag’ van hun boek zou moeten vergeven. Die hoofdletter heeft iets karikaturaals. 

donderdag 29 juni 2017

Pleonastische werkwoordstijd?




Bladerend door een uitgeverscatalogus blijft mijn oog haken bij een auteursbeschrijving: ‘was emeritus hoogleraar’. Is die verleden tijd niet een beetje dubbelop? (Deze man is jaren geleden overleden.)
Iets bleef frikken, tot me een licht opging: de status van emeritus hoogleraar, een geleerde dus die met pensioen is gegaan, kan uitsluitend in de tegenwoordige tijd worden vertegenwoordigd. Dat feit mag zonder meer hoopgevend en niet-discriminerend heten. Denken staat los van leeftijd en baan.
Alsof dat niet nog genoeg is, beleeft zo’n persoon zelfs voor ongelovigen na de dood een wederopstanding. Hij wordt opnieuw hoogleraar. In de catalogustekst: hij ‘was hoogleraar’.

In België blijken niet-academische gepensioneerden ‘op rust’ te zijn. Dus: ‘XXX is schrijnwerker op rust’. Een onvoltooid verleden tijd zou hier eveneens een niet te helen spagaat aanrichten. Tot na de dood: ‘XXX was schrijnwerker’.
Of vergis ik me?
Tot 10 februari 2005 viel te schrijven: Arthur Miller is de ex-man van Marilyn Monroe. Na die datum werd dat: Arthur Miller was een man van Marilyn Monroe.
Toch?
Evenzo is Johan Cruijff tot 24 maart 2016 een oud-speler van Ajax geweest. Daarna werd hij een speler van onder meer Ajax. Da’s logisch.

Overigens kan Miller vanuit tragisch oogpunt natuurlijk wel eeuwig als ex-man van Monroe worden beschreven, en blijft iemand voor zijn naasten emeritus hoogleraar indien hij na zijn pensioen pas ontbolsterde.

maandag 26 juni 2017

Alles wat je nooit over synergie wilde weten


  
Soms lijkt het alsof een tijdgeest uitglijdt over de bananenschil van één woord. Infosnacking bijvoorbeeld.
Maar wanneer ik me met mijn economisch muizenverstand probeer voor te stellen hoe grotere ondernemingen en overheidsorganisaties zich bewegen, dan ontsnap ik niet aan één term: synergie. Helemaal de enige blijk ik niet in die indruk – het kan opvallen wanneer bij de schaalvergroting van een fusie of overname dat woord juist achterwege blijft.
Recent was het weer raak. Mediahuis nam TMG (Telegraaf Media Groep) over en in een toelichtingsinterview wist de CEO dat het veranderde mediagebruik ook gevolgen heeft voor reclames. Die zijn online gegaan:

‘Daar kun je alleen maar een antwoord op bieden als je voldoende schaal en technologie hebt. Die synergieën liggen niet op het journalistieke vlak, wel op het industriële. Kosten als drukken en distribueren kan je beter managen in een grote geheel, je kunt technologie kopen, je verwerkt kracht in de advertentiemarkt.’

Mijn idee is dat iemand die zich pakweg een halve eeuw geleden heeft laten invriezen om heden verder te leven, deze passage, ook na meerdere malen ontdooid te zijn, niet begrijpen kan.
Toch heeft een andere werkelijkheid mijn stelling ondergraven. In Het goede leven (1981), de studie over de jaren zestig en zeventig van Emma en Lodewijk Brunt, tref ik ‘synergie’ aan als dé panacee. Het woord duidde op een samenwerking waar iedereen beter van werd. Ze zou als verschijnsel al voorkomen onder jagers en verzamelaars die nog gelvrij haar op hun tanden hadden. Uit zulke samenwerkingsmacht borrelden nieuwe energie en creativiteit.
Dat profijt schiep behalve volgelingen en medestanders destijds vooral een positieve grondhouding, die tegenwoordig bij beslissers te vinden is zodra het woord ‘synergie’ op al dan niet noodlottige wijze hun lippen heeft verlaten.

dinsdag 20 juni 2017

Transparantie tot onzichtbaarheid




Sinds kort is de gourmande op Wally. Dit miniatuurpersonage, dat wereldberoemd blijkt, bevindt zich tussen talloze anderen. Telkens geeft een kort tekstje een hint hoe hij te herkennen is.
Beroepsgedeformeerd dacht ik bij Wally in eerste instantie aan poëzie van Tonnus Oosterhoff, maar het ventje staat centraal in een zogeheten zoekboekenserie. Lezen is er kijken geworden.
De reeks Waar is Wally? zal helpen bij het bijeenschrapen van competenties voor eenentwintigste-eeuwse geletterdheid. Ik kan me ook indenken dat hij munitie geeft aan het Belgische twistpunt van gecumuleerde bestuursbaantjes (niet te verwarren met de Wally-taks). Wie nauwkeurig toeziet, kan bijklussende politici gewoon aanwijzen.
Wegens niet-aflatende mandaatmeldingen heerst er een sfeer dat het gros nog onthuld moet. In een recensie die George Orwell, twee maanden voordat de oorlog ook in West-Europa uitbrak, schreef over de Engelse vertaling van Mein Kampf zag hij Lebensraum zich al uitstrekken tot Afghanistan. In mijn oude computerbestand van Mijn Strijd wist de zoekfunctie dat land niet te detecteren, dus het zal beeldspraak zijn.
Maar stel je nu eens voor dat Duitsland echt tot daar kwam. Ganz toll! Veel minder boze dan bange burgers ervaren het echter vice versa: Afghanen zijn naar hier gekomen. Eerst uit je doppen kijken, adviseert Wally. En daarna spreken. En handelen.
Wally is een zelfrichtende spotlight met een peertje van een net niet verwaarloosbaar wattage. Maar is Wally ook een beetje beperkt (‘selectief’) in zijn aandachtzuigerij?

donderdag 15 juni 2017

Een waarschuwingssticker





Twee prijzen binnen één dag kreeg Frank Westerman voor Een woord een woord. Moet ik daar mening of mekker over hebben? Ik heb dat boek toch gelezen?
Afgaand op aantekeningen kon ik er weinig chocola van maken. Ik weet dat Een woord een woord me teleurstelde. Er stonden veel bekende feiten in over de Molukse kapers uit de jaren zeventig. Westerman verweefde ze met privégeschiedenis die voordrong (jeugd Drenthe, journalist Tsjetsjenië).
Een woord een woord bevat veel beeldspraak, niet al te exacte ook. Westerman lijkt er lezers mee te behagen. Met opsmuk die literair oogt terwijl dit onderwerp – de mogelijke relatie tussen idealen en terreur – smeekt om een zakelijke benadering.
Waarom niet de deugd van de verslaggeving gekoesterd?
Ooit stuitte ik op wat een vroege Westerman-tekst geweest moet zijn, in het boekje Een klap van de molenwiek: hoe Don Quichot naar de Lage Landen kwam. Daar zocht de auteur niet alleen naar een onderwerp, maar ook naar een podium.
Het resultaat heet: non-fictie.
Westerman bekent tijdens het maken van Een woord een woord van zijn stuk gebracht te zijn door de aanslag op Charlie Hebdo. Maar terwijl Marc Josten hetzelfde ondervond bij het voltooien van Weerwoord, is dat boek soepel gebleven. Omdat Josten zich de pretentie van de helderheid heeft aangemeten?
Alle kanten gaat Westerman op, zonder dat dit vruchten afwerpt. Uit mijn aantekeningen begrijp ik dat terugblikkende interviews in Een woord een woord me hebben geboeid. Plus het slotstuk over Zuid-Amerika, waar Westerman komt te vertoeven met een voormalige RAF-strijdster.
Alleen luidt de boodschap keer op keer dat revoluties gelukkig passé zijn. Ze hebben volgens Westerman te veel bijwerkingen, waarvan geweld de prominentste is. Maar de indruk die het boek bij mij achterliet was dat opstand uit idealisme sowieso not done is. 

zaterdag 10 juni 2017

Van onze neokritische verslaggever


Iets is misgegaan in mijn debat met Gijsbert Pols. Resoluut beëindigde hij het, omdat ik in mijn kritiek op zijn kritiek op het Boekenweekgeschenk hem bleek te ‘discrediteren’. Onder meer door zijn medium De Reactor ‘neoliberale collaboratie’ te verwijten.
Wadde? Dat zijn morele termen. En omdat Pols’ exercitie volgens mij in laatste instantie misplaatst was wegens groepsverheffing, krijg ik dat punt in mijn gezicht terug.
Ons engagement en politieke overtuiging, is mijn indruk, liggen nochtans dicht bij elkaar, dus speelt hier een verschil in tactiek of karakters? Pols geeft me de begrippen ‘uitwisseling’ en ‘handreiking’ mee. Daar ga ik inderdaad pas toe over indien ik overtuigd word van mijn ongelijk.
Voor derden moet het debat, al voordat het abrupt afbrak, bizar zijn geweest. Ik speurend over oppervlakten, halsstarrig zoekend naar meer argumenten, confronterend en vittend over tegenspraak; daarboven Pols over principes en algemeenheden, galant ontwijkend en inperkend, reagerend op metaniveau. En alle woorden bij elkaar, zeker door wat ik nu nog waag toe te voegen, overtreffen de lengte van Pols’ recensie waarmee het debat ontbrandde.
Bij zijn afscheid rangschikt Pols mijn teksten onder ‘neokritiek’. Voor niet-ingewijden: dat is een begrip van Rudi Laermans uit 1997. Het begrip kwam pas in omloop dankzij Geert Buelens’ nawoord in het Nagelaten werk (2011) van Jeroen Mettes. Sindsdien wordt het met de grootste vanzelfsprekendheid door letterkundigen (inclusief ikzelf) toegepast op boze witte mannen. Afgelopen week nog door De Reactor.
Neokritiek is zoiets als de bubble: hij zit uitsluitend bij anderen. Zij vinden een machtiger gutmensch ‘hypocriet’, waarmee ze echter hooguit tonen dat ze zelf niet sporen. Neocritici, hinderlijke vliegjes eigenlijk, etaleren een kleinburgerlijk narcistisch ressentiment. Ze zijn, zoals dat ijzingwekkend heet, fout.

maandag 5 juni 2017

Future Shock


Een paar tellen ‘in de tuin werken’ doen me weer beseffen wat een rare uitdrukking dat toch is, zijn wortels hebben in. Een zalige, allerminst teleologische puinhoop ontvouwde zich onder het oppervlak.
Toch vallen er geregeld dingen voor die suggereren uit een bepaald nest te komen. Ik woonde een toneelstuk bij dat vergezeld ging van de waarschuwing: ‘Op het podium wordt gerookt’. Nu ben ik opgegroeid in een huis waar tot op de badkamer sigarettendamp te bewonderen viel, maar het is duidelijk dat de maatschappelijke houding tegenover roken in het Westen radicaal veranderd is. Nowhere done.

De redelijk recent overleden Alvin Toffler refereerde in zijn boek Future Shock (1970) tot in de titel aan het gegeven dat menselijk organismen niet elke (idee van) verandering aan kunnen. Schijnbaar overgeprikkeld reageren dan reflexen, die Toffler specificeert in sociale, intellectuele en emotionele aftochten. Terug in de schulp kruipen.
Aardig is dat Toffler een halve eeuw geleden wat trends beschreef die nog bekend voorkomen. En dan doel ik niet op een voetnootje over miljoenen Amerikanen die zich louter metaforisch eigenaar van een huis kunnen noemen omdat ze amper kapitaal erin hebben zitten en hun lening meer op een huurcheque lijkt. Noch op gevechten over eigendomsrechten onder water, op de zeebodem. Of op aansnellende noviteiten van in te planten bevroren embryo’s. En zelfs niet op Tofflers tweevoudige constatering dat kennis steeds veroudert terwijl de mens langer leeft.
Ik doel wel op het eenmalig gebruik van dingen, wat hij noemt ‘modularisme’. Weggegooid en/of ingeruild worden eveneens personeel en/of vrienden. Een oorzaak ziet Toffler in een dan nieuw type werk waarvoor men veel onderweg moet zijn en verhuizen. Het veroorzaakt corporate gypsies, die confronterend zijn voor honkvaste annex streekgebonden mensen: feitelijk achterblijvers!
De clou bleek om nergens wortel te schieten, misschien een extreme versie van zelfsegregatie. Terstond becijfert Toffler dan ook hoe en waarom landbouw niet langer de arbeidsmarkt domineert. Dat er minder mensen op het platteland dan in steden zouden wonen, was toen al evident.
Ook signaleert hij meteen twee reacties: de verandering als ‘uitdaging’ zien of als onbehaaglijk stemmend gevoel. Steeds is innerlijk evenwicht even weg.
Toffler ziet slechts toekomst voor 2 of 3 procent die sneller kunnen leven, want flexibeler zijn en kennis kunnen blijven opnemen. Daartoe is honkvastheid niet echt handig.
Zouden vluchtelingen dan resistent zijn tegen future shocks? Mogelijk zijn juist hun familiebanden (gezinnen heten bij Toffler draagbare wortels) de stimuli voor overleving in plaats van handigheid in het aangaan van ‘functionele relaties’.

Moet ik me als immigrant afvragen waar mijn wortels liggen?
Bij een documentaire over The Analogues die studionummers van de late Beatles reconstrueren om ze live te spelen, met originele instrumenten, dringt tot me door dat alles verdween wat er aan synthesizers en randapparaat in mijn bezit was. En dat mijn eerste aanschaf, de loodzware Fender Rhodes, een heuse elektrische piano die digitaal nooit te imiteren viel, nog altijd in huis is.
Nu heeft muziek natuurlijk de eigenschap zich te hechten aan elke mens, maar ik begreep nu pas dat zoiets verder strekt dan specifieke liedjes die gebeurtenissen en bijbehorende gevoelens weten te evoceren. Het kan ook om een geluidsspectrum gaan (in mijn geval: analoog).
Of om een grillig genre dat door het filter van één persoon samenhangend wordt. Dankzij YouTube dat je laat hippen van het een in het ander, op basis van voorkeuren uit zoekopdrachten, kreeg ik een carrièreoverzicht van Michael Brecker voorgeschoteld. Het bleek geknipt en geplakt door ene Bernie Sanders. En verrek, dat was dezellufduh!
Hij blijkt twee jaar geleden begonnen te zijn met het posten van voornamelijk mainstream jazz (noch ‘Future Shock’ à la Hancock). Solo’s, liedjes en hele elpees. Sinds mei heeft hij dit project pas in volle omvang en met sterk verhoogde productiviteit de wereld in geslingerd.
Alsof hij wil zeggen: daar is een president met zijn wortels, en hier ben ik die op zijn plaats had kunnen staan met mijn traditie.
Over muziek in datzelfde land stelde Bart Meuleman in De donkere kant van de zon dat genres als country, blues en folk bij het platteland horen, maar hun succes kennen in de grote stad die als hun luidspreker fungeert. Daar is de muziek, schrijft hij letterlijk, met wortel en al overgeplant.
Maar los van hun gemeenschap vervreemden deze genres. De zanger kan dan wel zijn heimwee bezingen.
Grappig vond ik bij The Analogues dat door alle uitleg het – Engelse – Beatlesrepertoire heuse klassieke muziek werd. En dat wat surfen op de bandleden me, behalve wederom bij Piu Piu, bij Duplex Johnson bracht, totaal uit mijn geheugen gevallen, rond mijn geboortestad waaronder minstens zoveel water loopt als gewortelte.
Tot slot was er het bericht over fenomenale verliezen die uitgeverij De Bezige Bij heeft geleden wegens niet-terugvorderbare voorschotten aan transferrijpe sterauteurs (zou er een aparte kostenpost zijn voor etentjes?). Stomtoevallig had ik net gelezen hoe de oude Van Oorschot debutant Voskuil het hof probeerde te maken om een typoscript dat de titel Bij nader inzien droeg.
Voor dat bitsige krakertje van meer dan 1200 pagina’s, waarin minstens zoveel sigaretten opgestoken worden, putte de uitgever zich uit in telefoons en (expresse)brieven en bezoekjes, vooral bij nacht en ontij. (Voskuils daaropvolgende boek vond hij ‘lauw water op een filter met reeds afgetrokken koffie’, en toen hield het contact stop).

En tja, moet ik een mening hebben over de IS-aanslagen? Vanuit het wortelframe zal de recentste in Londen mogelijk extra indruk hebben gemaakt doordat ze niet met technologische bomgordels of kalasjnikovs werd uitgevoerd, maar met kapmessen. Ambachtelijkheid, handwerk dat doelbewust appelleert aan oerangsten?
De tuin bewerkt hebbende geloof ik ergens toch dat rizomatische beeldspraak getrouwer de wereld weergeeft.

zondag 28 mei 2017

Wittemannenbastions (3)


  
Dumoulin wint de Giro! NAC terug in de eredivisie! En Gijsbert Pols dient me weer van repliek!
Behalve trots ervaar ik schaamte, bijvoorbeeld omdat ik onhelder blijk te zijn geweest. Zo meent Pols dat ik een bepaalde interpretatie van het Boekenweekgeschenk (van zelfkritiek) oninteressant vind. Maar volgens mij heeft het boekje Pols’ andere (moreel veroordelende) visie er slechts mee uitgelokt en bij voorbaat gedemonteerd. Mijn punt is dan dat hij die essentiële truc verzwijgt.
Aan dat onder de pet houden van informatie verleent Pols de neoliberale term focus. Hij leest teksten dus niet singulier maar meet ze af aan zijn privé-eisen. Die houding benoemde hij al na een comment op zijn Hermans-lezing: ‘Ik vind zijn werk niet doorleefd, wel harteloos en steriel.
Voorbij poëticale voorkeuren stelt zo’n houding morele voorschriften. Op zichzelf geen probleem, ware het niet dat Pols dan een onhandig teksttype kiest. Literatuur speelt bij uitstek met meerduidigheid of tenminste met ambivalentie. Voor wat Pols eist, zijn alleen dagboeken geschikt. En dan nog alleen van gelijkgezinden?
Aangrijpend vind ik dat die kritische opstelling welbewust kiest voor de fameuze bubble (normaliter louter bij les autres waarneembaar).
Ik was niet zozeer misogyn als wel pervers benieuwd naar de reactie op mijn flauwigheidje dat partnergeweld in de buitenfictionele wereld niet alleen van man op vrouw gaat, maar dat alle seksen (elkaar) matten. Die optie meldt het Boekenweekgeschenk niet, zegt Pols, dus een recensie hoeft het daar evenmin over te hebben.
Dat vond ik equivalent aan vele conclusies die Pols trekt voor de wereld:

-        - hij is tegen een marktlogica, behalve wanneer hij die met een recensie ondersteunt
-        -  hij is tegen een marktlogica, behalve bij een partnership van een ideële site met een opinieweekblad voor de middenklasse
-        -  hij volgt de antihegemonische instructies van de Lezeres des Vaderlands, die alleen niet gelden voor het podium waarop hij ze etaleert
-        -  van zijn kruistocht tegen privileges vrijwaart hij een groepje mensen dat werk moet verrichten naast een baan.

Pols’ kritiek belichaamt zijn hoon van de keuze voor een holle Boekenweekschrijver. Zelf heeft hij nog altijd geen enkel inhoudelijk argument gegeven waarom vijf door hem opgevoerde alternatieven (één heeft hij inmiddels laten vallen) wel geschikt zijn. Die namen zijn dus geurvlaggen [reukvlaggen], zoals Hans Groenewegen dat noemde.
Pols pareert mijn kritiekpunten op zijn podium De Reactor met intentieverklaringen. Zijn aanhankelijkheid is zelfs zo groot dat hij zijn principes moet overtreden. Met zijn strijd tegen machtsstructuren die gesloten werelden opleveren, hangt Pols een project aan dat vanuit zijn redactie en raad van bestuur een op neoliberale basis opererend netwerk faciliteert (UU, DWB, deBuren, nY, UGent).
Daar is enige uitbreiding op gekomen. Pols vertelt dat er sinds enige tijd incentives zijn. En prompt doen er bekendere namen mee, vertrouwd uit de printniche. Zo mag De Reactor zich verheugen – ik zeg dat zonder ironie – in de medewerking van Ger Groot, die wegens ‘emancipatiekramp’ niet door de ballotage van Pols’ leidster de Lezeres des Vaderlands was geraakt.
Zelf heb ik beweerd, voor zover de moeite waard te memoreren, dat het gemiddelde niveau van Reactor-bespreking hoger ligt dan elders. Daar kan de site niet genoeg om geprezen worden. Wel ligt het niveauverschil vooral aan de beperkingen door formats bij andere media, inclusief impressionisme van columnisten. In het land der blinden…
Pols maakt van zijn podium een martelaarsmissie door belangeloosheid te claimen. Zijn nadruk op onbezoldigdheid van Reactor-redacteuren vind ik onaardig voor vele auteurs die sinds jaar en dag collega’s met detailkritiek bijstaan. Voor redacties van literaire tijdschriften. Voor bloggers. Voor vrijwilligers in alle geledingen van de maatschappij.
Even selectief dunkt me het drama dat Pols maakt van poëzierecensies die beantwoorden aan de kwaliteitseis van De Reactor. Ze blijken niet te vinden. Gaat dit over de ‘sneeuwwitte academische neerlandistiek’ die Pols zo aanstekelijk karakteriseerde? Wie eens op Meander of Tzum kijkt, kan geregeld redelijke besprekingen vinden. Er is Klecks, op Ooteoote heeft Jeroen van den Heuvel een rubriek over openingsgedichten, beide van een intensiteit die ik niet associeer met De Reactor. Literaire tijdschriften en privéblogs hebben sporadisch zeker ook aansprekende poëziekritiek te bieden.
Wie buiten de eigen wereld weigert te kijken, zou nog een zelfkritiek kunnen formuleren. Met de vraag bijvoorbeeld of er in de neerlandistiek veel poëzie gelezen wordt. Er is al bericht over onvoldoende garantie op return on investment bij het genre. Daarnaast heeft het begrip frame de aandacht van interpretatie verlegd naar leeswijzen. Nog een stap verder weg van de primaire literatuur is de studie van poëziekritieken en van dichterspostures.
Dat de primaire tekst bijzaak dreigt te worden, bewijst volgens mij ook Pols’ reactie op mijn kanttekening dat er door het Boekweekgeschenk een veel belangrijker boek, van Samuel Vriezen, van De Reactor aanmerkelijk geringere aandacht kreeg: ‘Ik wil best geloven dat het historische belang van de recensie van Serge Delbruyère alleen benaderd wordt door het Evangelie van Johannes en het Communistisch Manifest. Maar als dat zo is, dan vertrouw ik er op dat het besef daarvan ook wel bij de goegemeente zal doordringen zonder dat het stuk op de website van Knack geplaatst wordt.’ Of dit humor is, of populisme of opportunisme of conformisme of kolonialisme of domineestalent, of een combinatie ervan, weet ik niet. Wel dat Pols ook expliciet laat zien dat voor hem alleen de bespreker telt.
Toch blijf ik Vriezens boek aanbevelen. Er staat bijvoorbeeld een lastig retweetbare analyse in van hoe neerlandici Arnon Grunberg lezen.
Ik vind het fatsoenlijk dat Pols De Reactor verdedigt. Wel lijkt dit eenrichtingsverkeer. De redactionele begeleiding waar hij hoog van opgeeft, heeft bij zijn Boekenweekgeschenk-recensie plaatsgemaakt voor cynisme. Zoveel rammelende en tegensprekelijke informatie toelaten is één ding. Een ander ding is als kennelijk neutraal platform Pols’ moreelpolitieke boodschap verbreiden dat witte, mannelijke hegemonieën moeten worden doorbroken.
Turflijstje erbij, ik speel nu even Lezeres des Vaderlands. Op de voorpagina van De Reactor stonden gisteren besprekingen van 30 titels. Die boeken waren geschreven door 26 mannen (28 feitelijk wegens trio) en 4 vrouwen. Van de dienstdoende recensenten waren er 26 (feitelijk 27 wegens duo) mannelijk en 2 vrouwelijk.
Voor zover mij bekend waren alle titels en recensenten wit.
Verder bood de site een rijtje comments, alle van witte mannen – onder wie ik. Nog een laatste steekproefje in verband met Pols’ pleidooi: wat deed De Reactor met het werk van Rachida Lamrabet en Karin Amatmoekrim? Oeps.
Is dat alles niet toch een pietsiebeetje, zoals Pols het uitdrukt, ‘binnen de culturele context machtsaffirmatief’? Minstens zou ik durven denken dat de boodschap brengen dat witte, mannelijke hegemonieën moeten worden doorbroken, bij De Reactor even geloofwaardig wordt als veganisten die vleesrecepten verspreiden.
Zelf heeft Pols echter goed nieuws over de invulling van dit personeelsbeleid: er zit geen racist tussen.
Misschien mag ik die evidentie nog belichten vanuit mijn eerste commentaar. Ik stelde daar, plastisch eigenlijk, dat er extra plaksel wordt gegeven aan het weerzinwekkende etiket Gutmensch. Pols velt immers een vernietigend moreel oordeel over de Boekenweekgeschenk-auteur. En aangezien hij opbiechtte welbewust boeken te bespreken ‘met een groot bereik, omdat ze maatschappelijk meer gewicht hebben’, doet hij dus aan volksverheffing. Internet leert dat de standaardreactie daarop luidt: en wat doe jullie zelf dan?
Da capo.


[Dit feuilleton sleept zich hier voort.]

vrijdag 26 mei 2017

Wittemannenbastions (2)



Ik voel me gevleid dat mijn commentaar op een recensie antwoord heeft gekregen van de recensent zelf. Gijsbert Pols reageerde vandaag, nota bene een hete dag die louter draaglijk is met de luiken dicht, op mijn vorige posting. Die ging over zijn Koch-bespreking voor het recensieplatform De Reactor.
Ik begrijp nu beter waar Pols heen wilde en waarom hij redeneert zoals hij redeneert.
Pols erkent nu dat zijn interpretatie van Kochs Boekenweekgeschenk Makkelijk leven een reductie was. Ik poogde te demonstreren dat Koch – nogal simpel en studentikoos, voeg ik zekerheidshalve toe – de mogelijkheid open liet satire als zelfkritiek te lezen. Maar Pols verdraagt domweg het verhaalrelaas niet en verlangt empathie die het boek bewust niet geeft.
Waarom dan zo’n lange bespreking gemaakt, zou een nuchtere kanttekening luiden. Of waarom het literaire boek gelezen, als de trukendoos ervan door Pols opzettelijk dicht wordt gehouden? Wel snap ik nu waarom hem in het Boekenweekgeschenk het decorstuk Vedett opvalt: het is zijn biermerk niet.
Mij bekruipt inmiddels vooral de vraag waarom Pols’ eigen empathie zich eveneens schijnt te beperken. Hij wraakt met een beroep op statistieken namelijk uitsluitend geweld tegen vrouwen. Terwijl er ook, zij het op minder grote schaal, geweld van vrouwen tegen mannen voorkomt.
Als man neemt Pols het dus op voor vrouwen. Galant en terecht, daar niet van. Maar is het misschien ook niet een beetje, letterlijk, paternalistisch? Feministe Rebecca Solnit begint en eindigt haar vlammende betoog tegen (seksueel) geweld tegen vrouwen juist met de nuance dat niet alle mannen gewelddadig zijn, dat de daders een minderheid uitmaken in hun sekse dat vrouwen evengoed partnergeweld ontketenen.

Pols weerlegt mijn idee dat hij over zijn alternatieve namen voor het Boekenweekgeschenk eerst moest hebben geschreven. Daar heeft hij uiteraard gelijk in. Toch worden die auteurs bij gebrek aan enige bewijsvoering veeleer gratuit dan singulier. Ze krijgen symboolwaarden te dragen.
Dat frappeert vooral aan Pols’ rijtje Marja Brouwers, Sana Valiulina en Astrid Roemer. Ik durfde dat in eerste instantie niet te schrijven, maar ze belichamen evident de rijkdom van de multiculturele samenleving: een vooruitstrevende witte, een begaafde immigrante en een geëngageerde zwarte. Wenst Pols ook hier louter de geluiden die hij nu eenmaal wil horen?
Omdat Brouwers niet meer lijkt te publiceren, onderstreept Pols slechts haar representatie. Over Valiulina was ik trouwens inexact. Haar roman Honderd jaar gezelligheid heeft niet Kochs Grachtengordel als decor (daartoe dient de Bijlmer), maar als afzetpunt. Haar diagnose bevestigde daar wel hetgeen Pols graag blijkt te lezen.
Roemer is volgens Pols een ‘totem’ geworden. Op mijn beurt moet ik bekennen dat die hoedanigheid in de hand gewerkt kan zijn door het gemor dat opsteeg nadat bekend werd dat zij de P.C. Hooftprijs zou krijgen. Een onsmakelijke reactie op een kolossaal oeuvre, die nog schriller wordt in de wetenschap dat het een jaar later stil bleef na de toekenning van dezelfde prijs aan Bas Heijne (voor essay, maar ook voor de lifestyle van een blanke middenklasse?).

Wat is de status van Pols’ bespreking? Net als ik deinst hij terug voor spektakel en nepdiscussies. Maar ik blijf denken dat zijn Koch-arbeid de door ons beiden verafschuwde marktlogica slechts huldigde. Alleen principiële kritiek als die van Pols kan een mainstream titel namelijk ensceneren als ‘spraakmakend’ dan wel ‘controversieel’ – gelukkig heb ik geen weet van wat de tekst aanrichtte op sociale media.
Het dunkt me ook vanzelfsprekend dat De Reactor én Knack Pols’ stuk publiceerden, terwijl de minstens zo bekwame recensie op Samuel Vriezens Netwerk in eclips beperkt bleef tot De Reactor. Daarbij durf ik de stelling aan dat beide participerende media Vriezens boek vele malen belangrijker hebben gevonden dan dat van Koch. Maar geen aansprekende auteur, geen aansprekend genre… Indien echter een merknaam als Arnon Grunberg over Netwerk in eclips had willen schrijven, dan had Knack uiteraard de loper tot en met de printversie uitgerold.
Dergelijke waarheden vallen onder de marktlogica, waarbij ditmaal Pols voor het verwachte spektakel mocht zorgen.

zondag 21 mei 2017

Wittemannenbastions (1)



Vertraagd reageer ik op een recensie van Herman Kochs Boekenweekgeschenk door Gijsbert Pols op De Reactor. Wat me aan openbare formulering deed twijfelen was dat de materie in eerste instantie specifiek literair oogde. Ook ken ik de criticus een beetje en heb een blauwe maandag geprobeerd aan genoemde site mee te werken, dus ik stond niet echt te popelen iets publiekelijks te opiniëren. Maar Pols moedigde me aan, en gelukkig woont hij zo ver weg dat hij grotendeels afgekoeld zal zijn voor hij me verpulvert.
Pols formuleert in zijn lange recensie, waarvan de inzet mij voorbeeldig voorkomt, diverse bezwaren tegen Makkelijk leven. In dit Boekenweekgeschenk slaagt Tom Sanders, een extreem succesvolle Amsterdamse schrijver van zelfhulpboeken, er niet in op te treden tegen geweld van zijn zoon tegen zijn schoondochter, op wie hij ook nog verliefd wordt. Het decor is naar Pols’ overtuiging al te vaak uitgelicht en te bevoorrecht.
Ook mist het boek volgens hem een vrouwelijk perspectief: het slachtoffer krijgt geen stem. Dit is echter het gevolg van Kochs keuze voor een ik-vertelling. Indien Pols’ wens een eis zou worden, kan een fikse portie literaire geschiedenis in de prullenbak. De vertelwijze speelt ook met betrouwbaarheid, waarbij lezers de werkelijkheidsaanspraak kunnen napeilen, inclusief empathische bekwaamheid. (Recent voorbeeld: de roman Compassie van Stephan Enter.)
In dit geval verkoopt hoofdpersoon Tom als Nederlander miljoenen exemplaren in Amerika en is dus een karikatuur. Zijn stilistische beheersing oogt navenant: ‘Wie met alle winden meewaait maakt veel meer mee dan wie zich zijn leven lang uitsluitend aan zijn eigen wind vastklampt’.
Sterker, Makkelijk leven behandelt het fenomeen van de tunnelvisie, over hetgeen ons ontgaat. Pols vindt het nota bene te gek voor woorden dat het hoofdpersonage niet in de peiling heeft verliefd te zijn op de schoondochter.
In de wel erg vertrouwde wereld waardoor Tom zich beweegt, gelden argumenten uit een populistische variant van het nationalistisch discours. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af in hoeverre privélevens geschonden worden ‘door mensen die ongevraagd van buiten komen’, zodat ‘de oorspronkelijke bewoners massaal’ wegtrekken bij gebrek aan werk.
Deze Tom haalt wijsheden uit zijn verwendheid, waardoor zijn narcisme radicaliseert: ‘Veel mensen beseffen niet dat ze zichzelf doodongelukkig maken met hun reizen naar almaar exotischer bestemmingen’. Zoiets kan alleen worden beweerd bij gelijkgezindheid. Hij zegt dan ook: ‘Het behoeft hier geen betoog…’
Door zulke nadruk op een parallel onder-ons-universum met zogenaamd pragmatische wisecracks, laat Koch basaal en pesterig wrijving ontstaan met het voornemen iets te doen tegen huiselijk geweld: ‘Ook door na te laten doen we iets, ik kan dit niet vaak genoeg benadrukken’. Er wordt ‘met de beste wil van de wereld’ ontkend dat er een patroon zit in misstanden. Men moet van Tom positief blijven, of nooit ‘te negatief’.
Voortdurend ordent het personage fenomenen op binaire wijze: je hebt mensen die… en je hebt mensen die. Steevast verbindt hij daar twee waardeoordelen aan, die sterk uiteenlopen. Komt nogal bekend voor, misschien?

vrijdag 12 mei 2017

Godzijgeprezen




Bij de recentste toekenning van de P.C. Hooft-prijs, voor het genre van het essay, lijkt er iets te zijn misgelopen. De wereld heeft vernomen dat de eer gaat naar Bas Heijne, volgens mij door een administratief slordigheidje.
Daarmee wil ik Heijnes capaciteiten niet betwisten. Aan zijn recentste boek Staat van Nederland is een interview toegevoegd met de scoop dat zijn ‘zijn naam al jaren rondging’. Wel liggen zijn teksten mij niet zo erg, ik vind ze eigenlijk al meer dan een decennium hetzelfde punt maken, maar ze bereiken ook België geregeld, waar ze als kritisch-realistisch gelden. En Heijnes collega’s vinden hem de beste.*
Waarom denk ik toch dat de prijs per abuis aan hem is toegekend? De afhandeling wordt overgelaten aan een stagiaire die met wat copy-and-paste het dossier gewicht moet geven. En dit jaar zal het een hamerstuk geweest zijn. Zo evident dat het bestuurslid van de prijs even niet op de naam kon komen.
‘Dé columnist van NRC Handelsblad’.
Misschien past het wel bij Maxim Februari dat hij door zo’n misverstand wordt gepasseerd. En draagt hij het wederom op zo’n waardige wijze, dat het beter wordt zijn verhaal door te vertellen. Hij is de enige columnist die ik volg vanwege zijn onthechtheid die het toestaat een professionele omgeving samen met zichzelf te beoordelen zonder verlies aan solidariteit.
Zijn columnbundels Park Welgelegen en Ons soort mensen waren dan ook, zoals dat heet, gebeurtenissen. ‘Er staat iets op het spel.’ Waarschijnlijk wijkt Februari’s werk hierom af, omdat hij zich een echte onderzoeker betoont.
Zou een andere schrijver in het Nederlandse taalgebied genres zo vernieuwd hebben? De zonen van het uitzicht herzag de roman, God. Een collage de bloemlezing, Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek het doctoraat, De maakbare man de autobiografie… Daarom beschouw ik Februari als een oer-essayist. Dit lijkt een scheldwoord, maar ik bedoel het complimenteus.
Dat het naar klinkt, komt misschien door de stortvloed van ‘literaire non-fictie’, van schrijvers aan wie eigenlijk die naam niet toekomt maar die veeleer het honorabele vak van journalist of wetenschapper beoefenen. Die het allemaal wel erg goed weten.
Mijn compliment geldt een beweeglijkheid die opportunistisch noch snobnomadisch is. Door essayistiek lopen dan ook twee lijnen: studie en moraliteit. Ergens, hopelijk niet in het oneindige, snijden ze elkaar in een punt dat de waarheid heet.

Ik begrijp niet dat voorafgaand aan de toekenning van de recentste P.C. Hooft-prijs er, nota bene in een column, twijfel is gezaaid over de relevantie van het essay voor de huidige tijd. Romans en desnoods poëzie zouden voorrang mogen krijgen.
Op basis waarvan is die bewering gedaan? Volgens mij bestaat er consensus dat Multatuli een zeer groot literair schrijver was. En in de kern is hij een essayist die fictionele technieken op de koop toe neemt.
Hij is niet de enige. Op het gevaar af namen te vergeten: Carry van Bruggen, J. van Oudshoorn, Til Brugman, W.F. Hermans, Paul Rodenko, Christine D’haen, Willy Roggeman, Jan Hanlo, Sybren Polet, Tip Marugg, K. Schippers, J.F. Vogelaar, Kees Ouwens, Jacob Groot, Pol Hoste, Frans Kellendonk, Charlotte Mutsaers, Patricia de Martelaere, Joris Note, Anneke Brassinga, Dirk van Weelden, Marie Kessels…
Naar mijn overtuiging is er, ondanks of dankzij de non-fictie, nog steeds toekomst voor het genre. Bijvoorbeeld Netwerk in eclips van Samuel Vriezen benut de heterogeniteit die goede boeken aankleeft maximaal. Er zijn ook blogposts en comments in verwerkt, bij mijn weten voor het eerst in een essay, dus het boek is zelfs formeel al mee.
Volgens Vriezen moet voor vernieuwing (de impliciete definitie van het ambacht van de essayistiek) het primaat van de krant opgegeven worden, samen met de droom een centrum te veroveren. Wie nu denkt dat hij ‘een ouderwetse avant-gardist’ is, met dito clichés over ‘de marge’, vergist zich. Tenzij die persoon wordt bezien als een individu dat in onderzoeksnetwerken gemeenschapsdienst verricht.
De ideale blog volgens Vriezen spreekt informeel, en is dus een podium voor uitwisseling. Het geeft bovendien de mogelijkheid een hyperlink aan te brengen, naar een zijspoor. Ook daarin floreert essayistiek, waarbij de rol van de lezer me veel bepalender lijkt dan bij proza of poëzie.
Uit het te raadplegen deel van het juryrapport voor Heijne: ‘Hij schrijft als een denker én denkt als een lezer.
Verder puilt Netwerk in eclips in montaigneaanse geest uit van de citaten, waarop de auteur-verzamelaar kan voortdenken. Als een architect bijvoorbeeld de noodzaak van originaliteit bepleit, reageert Vriezen:

‘Om deze opvatting van originaliteit te kunnen waarderen moet je af van elk idee dat originaliteit een al dan niet wenselijke eigenschap van een werk of oeuvre is. Liever: origineel is diegene die in staat is om het eigene van zijn situatie te begrijpen – waarzonder overleving niet mogelijk is. En elke situatie, in welk premodern, postromantisch, experimenteel of eventueel volstrekt traditioneel paradigma gelegerd dan ook, is iets eigens dat begrepen moet worden, dat je enkel tot je schade niet begrijpt. Originaliteit is dan een universeel gegeven – dat misschien door zekere takken van het romantisch denken gethematiseerd is, maar daarmee niet enkel aan die artistieke opvattingen vastzit. (…) Bij originaliteit gaat het er niet om dat ik iets zeg wat nog niet is gehoord. Het gaat om de mogelijkheid om een stem van buiten te horen. Deze stem van buiten is niet mijn stem; het is ook niet een stem die het Buiten of de Stilte of het Niets zelf toebehoort en hoorbaar maakt, maar een stem die spreekt over onze situatie en in onze taal; alleen, op een vreemde manier. Vreemd tenminste voor diegene die het vreemde in zijn eigen taal kan – wil – horen.’

De P.C. Hooft-prijs pretendeert godzijgeprezen kwaliteitsoordelen te vellen – zoals de columnist al zei: zonder nominaties, stemmen of weddenschappen. De oer-Hollander in mij is ondertussen benieuwd naar wat Heijne ‘met het geld gaat doen’. Hij schijnt het te moeten investeren in een bijzondere uitgave.
Spannend was zijn project Kleine filosofie van de volmaakte mens, dat verhoudingsgewijs wetenschappelijk was. Mag er ter gelegenheid van PCH een tikkeltje meer essay in?

*Maarten Dessing vermeldt voor Septentrion dat sociologische feit eveneens, plus het ontbreken van commotie nadat bekend was geworden dat de P.C. Hooftprijs naar Heijne ging. Maar dit onderstreept dat er geen literaire kritiek meer bestaat. En dat controverses alleen nog anekdotisch kunnen zijn.

maandag 24 april 2017

De gouden kalveren van Jimmy Carter



In de prachtfilm 20th Century Women wordt een fragment uit de ‘malaisespeech’ van Jimmy Carter vertoond. De toenmalige president diagnosticeerde op 15 juli 1979, meer dan een halfuur lang live op de televisie, een ‘crisis of confidence’. Hij zag genotzucht en ongebreidelde consumptie hand over hand toenemen. Als een Mozes klaagde Carter tegen de aanbidding van een gouden kalf (in hetzelfde jaar bracht ayatollah Khomeini elders een soortgelijke boodschap).
Ik had ooit gelezen dat de president als voorbereiding op zijn speech een diner pensant in het Witte Huis had gehouden. Daarvoor maakten intellectuelen als Daniel Bell, Jesse Jackson en Christopher Lasch hun opwachting. Ze moeten geen blad voor de mond hebben genomen, want Carter geeft in zijn toespraak geen erg vrolijk beeld van zijn land. Hij doet dat overigens naar aanleiding van de energiecrisis, die bijna het hele decennium van de jaren zeventig heeft gedomineerd.
Nu ik dankzij het internet de hele speech heb kunnen bekijken en lezen, valt me de relevantie van het betoog des te meer op. Wat Carter zegt lijkt me dermate actueel, dat ik hieronder wat fragmentjes heb vertaald.
Ik weet niet hoe zijn huidige imago is, na zijn koppige bemiddelingspogingen voor vrede en na een vooralsnog overwonnen ziekte, maar Carter gold als een slapjanus. Hij hield zich bezig met een schier decenniumbeperkt onderwerp als mensenrechten, heette het. Deze preoccupatie, merkte Ian Buruma al eens op, heeft in elk geval heel wat levens gered. En vanuit de huidige tijd voeg ik er de evidentie aan toe dat het bijna ongelooflijk is: dat een politicus zijn electoraat de les leest, al was het vanwege een dalende productiviteit. En dat hij aan datzelfde electoraat offers vraagt, tot in hun alledaagse handelingen.
In 20th Century Women vindt Carters pleidooi geen genade bij de personages. Na een resoluut verwerpen, putten ze zich uit in bekentenissen over menstruatie en ontmaagding. Het zal een onbeduidend detail zijn dat ze daarmee het kakelverse betoog van de president bevestigen.


'In de afgelopen drie jaar heb ik bij vele gelegenheden voor u gesproken over nationale kwesties, de energiecrisis, de hervorming van de overheid, de economie van het land en over zaken van oorlog en, vooral, vrede. Maar gedurende die jaren verengden de onderwerpen van die toespraken, de gesprekken en de persconferenties. Ze raakten steeds meer gericht op wat de afgezonderde wereld van Washington belangrijk vindt. Gaandeweg hoorde u meer en meer over wat de overheid vindt of wat de overheid zou moeten doen en minder en minder over de hoop van ons land, onze dromen en over onze blik op de toekomst. (…)
Ik nodigde mensen uit bijna elk deel van onze maatschappij uit om naar Camp David te komen – zakenlui en arbeiders, leraren en priesters, bazen, burgemeesters en gewone burgers. En daarna verliet ik Camp David om naar andere Amerikanen te luisteren, mannen en vrouwen zoals u. Het zijn tien bijzondere dagen geweest en wat ik heb gehoord wil ik met u delen.
Allereerst kreeg ik persoonlijke tips. Ik zal er een paar aanhalen die ik heb genoteerd. (…)
“Zwijg toch over politiek of over het wezen van de overheid, zeg liever iets over het begrip voor wat we samen bezitten.” “Meneer de president, we hebben het moeilijk. Vertel ons over bloed, zweet en tranen.”
Veel mensen vertelden over zichzelf en over de staat waarin ons land verkeert. Een jonge vrouw in Pennsylvania bijvoorbeeld: “Ik voel me zo ver verwijderd van de overheid. Alsof gewone mensen uitgesloten zijn van politieke macht.” En een Mexicaan zei: “Sommigen onder ons lijden al hun hele leven onder de recessie. Sommigen mensen hebben nodeloos veel energie gebruikt, maar anderen hebben niets gehad om te verspillen.” (…)
Mij sprak vooral dit advies aan, van een zwarte vrouw die toevallig burgemeester van een stadje in Mississippi is: “De grote jongens zijn niet de enigen die belangrijk zijn. Vergeet niet dat je niets op Wall Street kunt verkopen voordat niet iemand anders het eerst ergens anders heeft opgegraven.” (…)
Ik ben er weer op gewezen dat wat fout is aan Amerika door geen enkele wetgeving ter wereld kan worden hersteld. Daarom wil ik vanavond eerst voor u spreken over een onderwerp dat zelfs nog ernstiger is dan energie of inflatie. Ik wil u meteen vertellen over een essentiële bedreiging voor de Amerikaanse democratie. Ik doel dan niet over onze politieke en burgerlijke vrijheid. Die zullen wel voortduren. En ik verwijs ook niet naar de uiterlijke kracht van Amerika, een land dat vanavond overal ter wereld in vrede is, met ongeëvenaarde economische sterkte en militair machtsvermogen.
De bedreiging is op gewone manieren bijna niet te zien. Het is een crisis in het vertrouwen. Het is een crisis die het hart en ziel en geest van onze nationale wil vol in de kern treft. We kunnen deze crisis ontwaren in de groeiende twijfel over de betekenis van ons leven en in het verlies van een eensgezind doel voor ons land.
De afbrokkeling van onze vertrouwen in de toekomst dreigt het sociale en politieke weefsel van Amerika te vernietigen. Het vertrouwen dat we altijd hebben gehad als een volk is niet domweg een of ander romantische droom of een spreekwoord uit een stoffig boek dat we uitsluitend op 4 juli lezen. Het is het idee waarop ons land is gebouwd en dat de weg heeft gewezen voor onze ontwikkeling als volk. Vertrouwen in de toekomst heeft al het andere ondersteund – openbare instituten en zelfstandige ondernemingen, onze eigen gezinnen, en de grondwet van de Verenigde Staten. Vertrouwen heeft onze loop bepaald en heeft tussen generaties als een schakel gefunctioneerd. We hebben altijd geloofd in iets wat vooruitgang wordt genoemd. We hebben altijd geloofd dat de dagen van onze kinderen beter zouden zijn dan de onze.
Ons volk valt van dat geloof af. Niet alleen de overheid zelf moet dat bekopen maar ook de mogelijkheid om als burgers te functioneren als de ultieme heersers en scheppers van onze democratie. Als een volk kennen we ons verleden en we zijn daar trots op. Onze vooruitgang is een deel geweest van de levende geschiedenis van Amerika, en zelfs van de wereld. We hebben altijd geloofd dat we deel uitmaakten van een grote beweging van menselijkheid zelf die democratie wordt genoemd, betrokken in de zoektocht naar vrijheid; en dat geloof heeft ons altijd gesterkt in ons doel. Maar uitgerekend nu we ons vertrouwen in de toekomst aan het verliezen zijn, sluiten we ook nog de deur naar onze verleden.
In een land dat trots was op zware arbeid, sterke families, hechte gemeenschappen, en ons geloof in God, neigen te velen onder ons gemakzucht en consumptie te aanbidden. De menselijke identiteit wordt niet langer bepaald door wat men doet, maar door wat men bezit. Maar we hebben ontdekt dat zaken bezitten en consumeren onze verlangen naar betekenis niet bevredigt. We hebben geleerd dat het hamsteren van materiële spullen de leegte niet kan vullen van levens die geen vertrouwen of doel hebben.