donderdag 23 maart 2017

Minor details



Het blijkt alweer bijna Boekenweek. Mij viel het pas op nadat er in het vaderland gedoe was gekomen over een betrekkelijk jonge, bizar vaak belichte uitgeverij van wie enige jonge, bizar vaak belichte auteurs geen kaartje hadden gekregen voor een ritueel aan de Week gekoppeld Feest dat van oudsher Bal wordt genoemd.
Ik geloof dat me nu pas begint te dagen waar het woord ballotage vandaan komt. Het gedoe stuiterde tussen belangrijke auteurs en zogeheten boekenvakkers. Het liep van tweets over verklaringen en interviews naar tweets.
Ondertussen distantieerde zich onder de grote rivieren een overheidsinstelling van een daar als jurist werkzame schrijfster die, aangesproken als ‘mevrouw’, door de broer van de voormalige minister-president in een opiniestuk werd beticht van paternalisme. Ook ondergingen haar ideeën een vergelijking met het nazisme.
Net een tikkeltje feestelijker vond ik dat er de afgelopen jaren in het titelbombardement van Nederlandstalige literatuur een paar boeken op te merken waren die me, eh, goesting gaven: De maakbare man door Maxim Februari, Nieuwe zon door Jacob Groot, Hallo muur door Erik Jan Harmens, Allemaal gedichten door Gerard Herman, Van de wereld door Joris Note, We zullen niet te pletter slaan door Nina Polak, Nu is al te laat door Erik Spinoy, Netwerk in eclips van Samuel Vriezen.
En Tonnus Oosterhoffs Op de rok van het universum. In die harde montage van weetjes, verhalen, dialogen en anekdotes zitten vermoedelijk heel wat teksten die niet door de laconiek-heterogene bronverantwoording worden gedekt.
Op pagina 180 komt bijvoorbeeld, niet gemotiveerd door de context, het volgende voorbij:

Al botsend op de harde baen,
Vingh plots dat hert te spreken aen;
Al weenen vinghet te spreken aen:
‘Och jonghe, hebs di seer gedaen?’

Dit is het slot van ‘Een oudt liedeken’, zo’n beetje het enige gedicht door Victor Alexis de la Montagne dat de tand des tijds heeft weten te doorstaan.
In nep-middeleeuws gaat het over een meisje dat haar hond fatsoenlijk wil voeren. Daarom vraagt ze een knaap het hart van zijn moeder te pakken. Hij gehoorzaamt door zijn moeder te vermoorden en het hart mee te nemen. Naar het meisje holt hij, en hij struikelt.
Dan begint het citaat, waarmee het gedicht eindigt.
Alleen citeert Oosterhoff niet helemaal vlekkeloos. Na het tweede vers hoort een witregel. En er staat bij De la Montagne geen tegenwoordig deelwoord ‘botsend’, maar ‘botsen’.
Dit beweer ik op basis van de versie die te vinden is in Komrijs De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten (zowel in de oorspronkelijke als in de uitgebreide bloemlezing). En op die bij de DBNL
Nu entte De la Montagne zijn gedicht op een Franse tekst, waarvan hij auteur Jean Richepin keurig vermeldde. Deze schrijft:

Et pendant que l’ coeur roulait,
Entendit l’ coeur qui parlait.

Er geschiedden dus ook in het origineel meerdere kwesties tegelijk. Dus is het tegenwoordig deelwoord ‘botsend’ van Oosterhoff niet alleen een correctie, maar ook een vergroting van de logica. Voor de eeuwigheid.
De huiskamervraag voor het Boekenbal wordt dan wel, waarom Oosterhoff ‘weenen’ ook niet veranderde (in ‘weenend’).
Dit met de beste wensen gezegd hebbende, teken ik,

zondag 19 maart 2017

Stapsgewijs


Onlangs belandde ik per ongeluk in een Albert Heijn. De vestiging was ook nog gelegen aan een handige uitvalsweg in Antwerpen. Met mijn drie bakjes hummus vond ik me terug in een ellenlange rij terwijl andere kassa’s geen alternatieven boden. Wel was er haast geen klant te vinden bij één kassa. Vele wachtenden banjerden eropaf – en keerden weer in hun oude rij, tierend op die stomme Hollanders.
Wie niet waagt die niet wint, naar verluidt. Dus uiteindelijk waagde ik het ook maar eens te polsen bij de bijna lege kassa. En stond binnen een halve minuut buiten, bij mijn vouwfiets. Aan de kassa bleek louter contant te kunnen worden betaald. Nog best een handeling, een beetje futuristisch.

Half wakker begon ik in De Zondag een interviewtje te lezen met Marine Le Pen. Toen ze verklaarde ‘gewoon naar de feiten te kijken’, schoot ik uit mijn krammen. Is er heden nog een politicus die iets anders zegt te doen?
Wel stonden op dezelfde pagina nog twee rechtsextremen hun welvoeglijkheden uit te pakken – naast een soort kalender met data van aanslagen. Pas daarna ontdekte ik in de hoek van de krantenbladzijde dat het inderdaad een advertorial was.
De betreffende Beweging voor een Europa van Naties en Vrijheid was me onbekend, maar haar logo van een breed wiekende vogel meende ik vaker te hebben gezien. In de allerkleinste letters stond erbij dat de Beweging ‘gedeeltelijk gefinancierd [wordt] door het Europees Parlement’, wat voor de partij van het logo normaliter volstaat voor speekseluitstoot over linkse subsidies.
Het was ook de Beweging zelf die ‘de uitsluitende verantwoordelijkheid’ voor de pagina onthulde te dragen. Letterlijk omgezet uit het Frans of Engels (exclusive), dit onbestaande taaltje dat ’s lands zeden en gebruiken geen eer bewijst. Maar dat het verantwoordelijkheid neemt voor uitsluiting is in verkiezingstijd opvallend eerlijk.

Nu er nog altijd plenty chauffeurs tijdens de rit blijken te mailen en sms-en, vind ik dat de tegenmaatregel van de waarschuwings-app een uitvinding is die weliswaar knap bedacht lijkt maar te zeer meedenkt in dit frame. Het doel van verkeersveiligheid zou pas gediend zijn met een app, wanneer die de dienstdoende smartphone definitief onbruikbaar kan maken. Of verandert in een slagroomtaart.
Nog adequater zou ik het achten wanneer er consequenties worden getrokken uit de hoogste juridische legitimatie van het verbod op hoofddoeken in privéondernemingen. Laat die onverbeterlijke chauffeurs ongebruikte hoofddoeken omknopen en er op oorhoogte – zoals het innovatieve straatbeeld al wil bij vrouwen – hun gsm tussen klemmen. Gegarandeerd handsfree!

Naschriftje
De advertorial blijkt nieuws te zijn.

zaterdag 11 maart 2017

Stemstress




Is het volbracht? Het uitbrengen van een stem is niet alleen een fijn privilege, zoals Philip Huff uitlegde. Wie dat, zoals ik, vanuit het buitenland mag doen, voelt de verantwoordelijkheid exponentieel aanzwellen. Stemmen kost meer moeite, dus moet die investering lonen.
Dat betekent ook dat ik me gedegen wil informeren. Wat in het vaderland logisch en helder is, en misschien op straat wordt besproken, moet de expat zien op te vissen van het web. Sowieso lijkt het me hopeloos te zaniken over politici die niet geïnteresseerd zijn in het volk wanneer je je zelf niet van politici op de hoogte stelt.
Wat dat aangaat was het een choquerend bericht dat er drie keer zoveel kijkers waren voor Boer zoekt vrouw als voor een gelijktijdig uitgezonden lijsttrekkersdebat. En ontluisterend dat daar vrolijk over werd gedaan.
(Dat laat onverlet dat ik zelf evenmin zo’n debat wil zien, om niet afgeleid te kunnen worden door personen. Als zelfverklaarde kritische burger volstaan voor mij de ideeën.
Ook wordt de topos van ‘achterkamertjespolitiek’ in België al enige weken kracht bijgezet door de – buitengewoon boeiende – documentairereeks Wissel van de macht, waarin Marc Vande Looverbosch terugkijkt op conflicten bij allerlei partijen. Om nog te zwijgen over het daarbij ontplooide machismo van voze witte mannen.)
Dus daar zat ik met een dikke envelop vol electorale bescheiden. Was de kieslijst vroeger een mooi uitvouwbaar gevalletje, inmiddels gaat het om een soort leesmap. Nog een geluk dat de 28e en laatste partij bij de verkiezingen slechts één kandidaat inzet.
En met het effect dat gebruiksaanwijzingen als te doen gebruikelijk op mij weten te sorteren, bleef ik na afwikkeling van de briefstemprocedure over met één element: de stemenvelop. Mij restte niets anders dan het oranje geval waarin deze met een identiteitsherkenningvelletje had gemoeten open te scheuren.
De beambte die in Den Haag mijn post ontvangt, zal allicht denken dat hier wel een heel kras en brutaal geval van fraude werkzaam is geweest. De oranje moederenvelop ging slechts terug dicht met stukken plakband (volgens het online Vlaams Woordenboek wordt de uitdrukking ‘met spuug en paktouw aan elkaar hangen’ vooral overdrachtelijk gebruikt).
Maar, bureaumevrouw of -meneer, ik ben echt degene voor wie ik me per post uitgeef. En als u me, wat ik zou begrijpen, onverhoopt toch niet gelooft, dan geef ik u het woord waarmee de gourmande het in het spel Galgje schier onverslaanbare taalkundig genie wist te verschalken: sssstt.
Het was nochtans niet voor het eerst dat ik gebruikmaakte van het recht te participeren in de verkiezingen van het vaderland. Des te drukkender was het besef dat pas na het slechten van de envelophorde de ware bezoekingen komen. Ze zijn welgeteld met twee.
Zekerheidshalve laat ik de envelop frankeren in het postkantoor. En daar, waar de overheid nog altijd de grootste aandeelhouder is, wordt mijn ongeloof in de zegeningen van de markt op de proef gesteld.
Ook ditmaal was het er zeer druk. En volgens de logica van het huis deden de beambten weer geen enkele zichtbare poging daar iets aan te verhelpen. Ze bleven weglopen, papieren halen, aan hun waterflesje nippen en vooral veel met elkaar praten. Na een kwartier heb ik al mijn aanvechtingen tot loketvredebreuk ingeslikt en ben ik vertrokken richting sigarenzaak, waar de klus in een halve minuut werd geklaard.
Thuis heb ik gewacht tot na het diner om, welgevuld en rozig, de tweede bezoeking te lijf te gaan: het invullen van het Kieskompas. Die achterafcheck sta ik me toe als breekijzer tot de veelgeroemde competentie van zelfkritiek, vermoedelijk op een fond van zelfkennis.
Had ik gestemd voor de partij waarvan ik denk dat ze mijn ideologie dekt? Kloppen mijn praatjes?
Ik durf het bijna niet te bekennen. Ja! Als dat maar goed gaat (met die partij).

zondag 5 maart 2017

Schip ahoy!




Hebben generaties een eigen polemische geest? Aan iemand met zicht op literatuur is het opgevallen dat ‘jongeren van nu’ een veel harmonischer wereldbeeld hebben dan ‘wij’ (Babyboom t/m Verloren Generatie). Tegenwoordig zouden literatoren niet alleen elkaar opzoeken, maar ook onwelkome geluiden wegpoetsen. De trend om elkaar in poëzie bij de voornaam te noemen, bevestigt dan een minigemeenschap van gelijken. Van daaruit kunnen felle aanvallen worden gelanceerd en reacties daarop genegeerd.
Het is moeilijk zo’n stelling anders op waarde te schatten dan door naar bekenden te kijken – zodat het gegeven frame een antwoord particulier maakt. Ik heb ooit al geschreven literair te hebben mogen ontwaken bij het tijdschrift Yang, waar meer zielen in de borst klopten en waar de stelling, inclusief de spreekwoordelijke uitzonderingen (kortstondig redacteur Jeroen Mettes, geboren in 1978), grond vindt.
Ongetwijfeld onder invloed van de niet-aflatende berichtgeving denk ik tevens aan ongekende verschillen door ‘de bubbel’ waarin huidige nieuwsconsumenten zich zouden bevinden. Wegpoetsen is dan al door derden gedaan.
Toch zullen ook gebruikers van sociale media, waarop de selectie naar verluidt het meest virtuoos wordt doorgevoerd, beseffen dat wat op hun bordje komt een keuze is van een veel uitgebreidere kaart. Ze willen eten wat ze krijgen te eten. Andere smaken en gerechten, met hoeveel panache ook aangeboden, doen er niet toe.
In die houding lijken ze op lezers van fictie die voor de duur van de tekst accepteren dat wat er staat waar is (a willing suspension of disbelief). Doen ze dat niet, dan wordt de ontspanning een inspanning die onnodig is, zoiets.
En zoals polemisten niet accepteren dat diverse opinies naast elkaar voortbestaan als zouden ze evenwaardig zijn, en zoals publicisten momenteel proberen de bubbel te doorbreken door andere gezichtspunten voor bepaalde duur op te vragen, zo zijn er altijd, vanaf pakweg Don Quichot, auteurs geweest die de fictieafspraak hebben opgebroken.
Zoals de in 1972 geboren Franse schrijver Laurent Binet, wiens blijkbaar moderne klassieker HhhH (2009, Nederlandse vertaling 2010) ik eindelijk heb doorgenomen. Het boek handelt over de moord op SS-er Heydrich in Praag 1942 en de ik-verteller laat de lezer meebeleven hoe de tekst ontstaat. Hij weigert ‘aan literatuur te doen’. Ten gunste van de historische waarheid moet hij bijvoorbeeld weerstaan aan ‘de verleiding van de monologue intérieur’.
Binet hamert op de kennis die hij over Heydrich heeft opgedaan, waardoor de simpelste bewering al onverantwoord kan worden voor wie de werkelijke gang van zaken wil weten. Tegen die bubbel moet hij zelf beweringen soms intrekken en de geloofwaardigheid van details heroverwegen. Tijdens het maken van HhhH verschijnt bovendien de minstens zo ambitieuze WO2-roman De Welwillenden, die tot commentaar verlokt.
Doordat de ik-verteller zijn do’s and don’ts op tafel legt, waant de lezer zich op het grensvlak van fictie – dat de echte wereld nooit binnen kan brengen. Alles blijft van papier, zodat ik me eeuwen teruggeworpen kan wanen, naar een boek als Tristram Shandy. De koele genummerde paragraafjes verraden een wensdroom.
Persoonlijk vind ik zo’n vaststelling dodelijk. Ze maakt van kunst een vrijblijvend vermaak, en van zelfs de meest geobsedeerde kunstenaars idioten omdat ze netto een beetje hun verveling hebben verdreven.
Twee recente exposities gaven me twijfel over die evidentie.

zondag 26 februari 2017

Hoor ik erbij?




Het niet-aflatende gefulmineer tegen ‘de elite’ suggereert ook dat er een code bestaat die eerst gekraakt moet voor je erbij hoort. Daarna heb je alle mogelijkheden om ‘macht’ te kunnen ontplooien.
Die code heeft gelukkig meritocratische trekjes want is vermoedelijk niet helemaal gelijk aan formele correctheid, in wat ooit etiquette beloofde. Als schoolmeester springen mij namelijk vaak taalfoutjes bij aanzienlijke personages in het oog.
Bijna ontroerd was ik bijvoorbeeld toen Zuhal Demir, toen en nu niet meteen de vertolkster van mijn gedachtegoed, haar trots op het nieuw verworven staatssecretarisschap toelichtte in een dank aan haar vader, die had gewild dat ze beter Nederlands beheerste ‘als mij’. Of zette de publieke omroep, instituut met taaladviseurs, haar in de zeik door juist dit fragment uit te zenden, zonder commentaar?
Dat zo’n alternatieve grammatica bijzaak lijkt, bewijst het highbrow tijdschrift nY in zijn jongste aflevering met een gedicht van Çaglar Köseoglu: ‘het gedood worden door een politieagent is niet de rol die ik ben toebedeeld in deze situatie’.
In hetzelfde nummer kijken Isabelle Stengers en Lieven De Cauter terug op het incident anno 2011 op het proefveld voor genetisch gemanipuleerde organismen in Wetteren. Ze achten het cruciaal voor de recente politieke geschiedenis.
Na het incident werd Barbara Van Dyck ontslagen op de universiteit, omdat zij zich als woordvoerster van de activisten weigerde te distantiëren. Protest tegen die maatregel kwam dan ook van De Cauter en Stengers. Niet van de cultuurnamen die gewoonlijk op de opiniepagina van hun tak geven. Ze bleven stil toen de complete actiegroep veroordeeld werd wegens bendevorming. Waarschijnlijk hadden ze het in die tijd te druk met relevantere verontwaardiging.
Hoewel Stengers en De Cauter toonaangevende academici zijn, hebben ze in deze affaire betrekkelijk alleen gestaan. Kenden ze de code niet?
Er bestaat een recent werkje dat onbedoeld codes aanraakt. Het vertelt, ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan, de geschiedenis van de gerenommeerde boekhandel Amsterdamse Athenaeum. De titel Is u bekend met het alfabet? verwijst naar bedoeld verschil en blijkt een antwoord van een verkoper op een vraag van klanten.
Ook Joris van Casteren, de bekende schrijver van de tekst wiens non-fictieboeken mij eerlijk gezegd onwarm hebben gehouden, lijkt de code te kennen. Hij vleit zijn opdrachtgevers met anekdotes die als ‘hilarisch’ kunnen worden gepercipieerd, vol details die voor ‘sprekend’ zullen doorgaan.
Zelfs maakte het boekje gerucht. Dat een beschreven collega ‘geen gêne’ zou kennen, leek na diens publieke reactie misschien meer op Van Casteren zelf van toepassing. Al was het omdat hij het betreffende verhaaltje door een ander liet vertellen, zekerheidshalve in de directe rede.
Om het boekje op waarde te schatten, moeten lezers in dat oordeel dus de codes volgen. Zo blijk het ‘keurkorps’ van het personeel alle vrijheid te krijgen om hun specialismen zelf in te richten ‘tenzij iemand een boek van Diederik Stapel of René Diekstra bij de kassa legt’.
Wat een fraai staaltje goede smaak, in het voetspoor van de publieke opinie!
Ofschoon ik niet houd van theorieën over ‘hoe het werkt’, illustreert een wat langer citaat perfect een code. Van Casteren is dan met winkelchef Herm Pol op een halfjaarlijkse boekenbeurs in Houten:

We schuiven aan bij de kraam van New Book Collective, een commerciële dienstverlener voor boekenuitgevers, zo legt de oprichter ervan uit. Hij heeft een ringbaardje en neemt met ons de folder door van de Vlaamse  uitgeverij Polis, die door zijn Collective in Nederland wordt  vertegenwoordigd.
De oprichter prijst een boek aan van Karl van den Broeck, zoon van de in België niet onbekende auteur Walter van den Broeck. Het gaat over een bepaalde indianenstam waarvoor Karl diepe sympathie heeft opgevat, en de ondertitel luidt Op zoek naar het kruis van Sitting Bull. Pol vindt het een vreemde ondertitel. ‘Het kruis van Sitting Bull?’ ‘Nou, eh, in Vlaanderen heeft het die connotatie denk ik niet zo,’ zegt de oprichter.
Meer belangstelling hebben we voor Van onzen correspondent. Journalistiek werk van Willem Elsschot, bezorgd door C.J. Aarts, dat eveneens bij Polis zal verschijnen. ‘Dat nemen we’, zegt Pol verheugd.

Salonpopulisme uiteraard, maar waarin precies stemt zo’n fragment me moedeloos?
Om te beginnen de beschrijving van New Book Collective als een bizarrerie, waarvoor het ‘ringbaardje’ een knipoogbewijs wil zijn. De branche is door megaspelers en daarin acterende auteurs als Van Casteren namelijk zodanig naar de vaantjes geholpen, dat ex-werknemers in bedrijfjes als deze hun expertise ten dienste stellen van onafhankelijke spelers.
Vervolgens de zelfgenoegzame blik op anderen. Wie is Van Casteren dat hij Walter van den Broeck ‘in België niet onbekend’ noemt? En waarom zo schamper over diens zoon, die nochtans in hetzelfde vak zit als Van Casteren, zij het langer? Het hier bespotte boek zit in diens non-fictie-niche.
Ten slotte weigert Van Casteren manifest zich te informeren. Dat hij niet opzoekt van welke ‘bepaalde indianenstam’ Sitting Bull opperhoofd was zal de meesmuilendheid over de ondertitel van een boek extra cachet geven.
Ongetwijfeld heeft er op de beurs de catalogustekst gelegen, die wel een halve minuut leestijd vergt. De verklaring staat mede tussen hemeltergende aanhalingstekens:

Sitting Bull verpersoonlijkt het mysterie dat rond de Indianen hangt. Een van de weinige blanken die het vertrouwen van het legendarische opperhoofd genoten, was pater Pieter-Jan De Smet, een jezuïet uit Dendermonde die de Indianen kwam redden. (…) Als kind speelde Karl van den Broeck de overwinningen na die Sitting Bull behaalde op generaal Custer. (…) Als journalist begreep hij al snel dat niemand zit te wachten op artikels over de Indianen. Hij putte moed uit de ontdekking dat vanuit zijn geboorteplaats Turnhout een vermetele poging werd ondernomen om de Indianen in de VS te behoeden voor uitroeiing, en hij begon aan een “kruistocht” die hem moest leiden naar het crucifix dat Sitting Bull kreeg van de Belgische “zwartrok” pater De Smet.’

Het erge is dat het boek waarvoor ‘we’ wél belangstelling hebben een voorspelbare auteur én samensteller kennen. Wat een geloogd vakmanschap vraagt die code! 

zondag 19 februari 2017

Het Drama Van De Zwevende Kiezer (vijf bedrijven, haast zonder pauze)


  
In Vijftig tinten grijs staat: ‘Ik werd zo rood als het communistisch manifest!’ Dubravka Ugrešić citeerde het. Jezus, wat klinkt dat snobby. Speel anders gewoon nog een keer dat liedje Pappie loop toch niet zo snel.

Desgevraagd sta je altijd open voor je eigen mening. Peil haar maar.

‘Ach, kun je anders misschien even op de plattegrond een kruisje zetten bij de Gulden Middenweg?’

Ook uit esthetisch oogpunt is het onslim dingen onder het tapijt te vegen. Dat geeft bobbels.

Susan Neiman observeerde: ‘Wanneer ze gedwongen worden te kiezen tussen simplificatie en cynisme, neigen hoogopgeleide mensen meestal tot het laatste.’ En hoezo mag je je stemmingswisselingen niet cumuleren? Godallemachtig, wie zegt dat nu helemaal?

zondag 12 februari 2017

Dat ie in een boog gaat



Niet ga ik het hebben over golden showers, omdat ze leiden naar een luidruchtige meneer over wie al meer dan genoeg wordt gezegd. Zoals een student onlangs bewonderenswaardig pertinent schreef: er moet onderschijt blijven. Maar ze horen wel in een tijd.
Ik vraag me bij al dat zo gretig als ‘uitgelekt’ betitelde materiaal waarvan juristen die Plasman heten beweren dat ze er helemaal klaar mee zijn, waar ik precies naar moet kijken als ik wil wegkijken.
Slavoj Žižek stelde in Event dat het niet zozeer de privésfeer is die verdwijnt onder het geweld van sociale media, als wel de openbare ruimte.
Tegelijk is die uitsortering van het ongelijksoortige voor mij de kortste definitie van poëzie. Ik ervoer ze als kind bij het beluisteren van ‘24 rozen’ van Toon Hermans:

16 stille nonnetjes op ouwejaar
2 aanstaande moeders en een ooievaar
1400 doppers in een blik
9 hiks van iemand met de hik
En 7 babyfoto's op een schouw
En 24 rozen, 24 rozen, 24 rozen voor jou.

Destijds was ik van het lied ontroerd, nu vind ik het sentimenteel, misschien wel katholiek. Hoe dan ook is het essentieel voor het idee van wat voor mij poëzie behelst, een opsomming van verschillende grootheden die een gelegenheidscoalitie aangaan.
Onovertroffen volgens hetzelfde procedé was een decennium of wat later ‘Ballen in me buik’ van De Vieze Man.

Een heel gezin die allemaal hamburgers lopen eten
Twee hebben d'r in de poep getrapt, dat ze 't nog niet weten
En zo, met hun hoofd voorover, tegen ketsjup op hun goed
En hoe de koningin soms kijkt, onder vandaan haar hoed
Maar ook vaak bij een ingooi, dat hun broekie zo omhoog gaat
Of dat je recht moet plassen, maar dat ie in een boog gaat

Het wordt wel wat lastig als het ongelijksoortige als argument gaat gelden. Helemaal als het gepaard gaat met kwantiteit. Of wordt het non-verband gewoon waar wanneer het maar vaak genoeg op zoveel mogelijk plaatsen onbeschaamd herhaald wordt?
Žižek kaderde dat ongesorteerde exhibitionisme in een ideologie die het hedonistische met het boeddhistische wist te combineren. ‘Verwezenlijk jezelf! Experimenteer! Wees tevreden! Doe wat je wilt met je leven’.
Vormen die levens tezamen de humus voor een wereldgedicht? Daarvan ken ik er, uit mijn geboortejaar, alvast eentje. Het schoot me te binnen bij het overlijdensbericht van Al Jarreau. Het komt uit de opera die inmiddels musical genoemd wordt:

Cream colored ponies and crisp apple streudels
Doorbells and sleigh bells and schnitzel with noodles
Wild geese that fly with the moon on their wings
These are a few of my favorite things


zaterdag 4 februari 2017

Welke paden wij nog gaan betreden


Met een muisklik stuit ik op het bericht dat Wilders uitzonderlijkerwijs een eerste exemplaar in ontvangst heeft genomen. De auteur zegt blij te zijn en heet Joost Niemöller. Mijn hart slaat even over.
Natuurlijk, het was me niet ontgaan dat zijn overtuigingen verschoven waren. Maar hij blijft auteur van Over de muur en redacteur van het literaire tijdschrift De XXIe eeuw. Daarvoor moet ik de klok dus vijfentwintig jaar terugdraaien, de Muur was net gevallen.
Ik kende zijn refrein dat zogeheten politiek correcte mensen domweg niet willen weten of zien. Dus mijn laat-maar-reflex vorig jaar, op het bericht dat Niemöller een boek over de bejegening van Hans Janmaat en diens Centrumpartij had geschreven, was prototypisch.
Toch heeft het me nog vele weifelingen gekost. Maar ik heb het gelezen! En blijf verdrietig.
De verschrikkelijke Janmaat. Nederland en de Centrumpartij bevat ontelbare verhalen en anekdotes over wat een rabiaat politicus vooral in de jaren tachtig tegemoet rolde.
Een idee achter het boek is dat wat Janmaat toen bij tijd en wijle uitkraamde en waarvoor hij heftig bestreden werd, klein bier is vergeleken met wat Wilders nu meerdere malen per dag de wereld in brengt.
Dat valt onmogelijk te ontkennen.
Hooguit vangt de antenne voor racisme inmiddels veel meer op en lijken die geluiden alles zodanig te overstemmen, dat andere misstanden minder aandacht krijgen. Vanmorgen was op de publieke radio een verhalende reclame voor een autoverzekering, waarin volgens het banaalste stereotype een vrouw achter het stuur zat.
Aan het eind van zijn boek verklaart Niemöller dat Janmaat hem middelmatig en incompetent toeschijnt. Toch is het volgens mij verdedigbaar dat de hoofdthese van het boek luidt: de betweters waren erger.
Voor die these valt volgens mij één fragment in te zetten. Het betreft een transcriptie (p. 140-143) van een huiveringwekkend interview met Janmaat door Stan van Houcke. Dat had plaats voor Radio Stad Amsterdam, in 1980, met een paar collega-journalisten. Ik heb nooit zo geloofd in het gemekker over morele superioriteit van ‘politiek correct’, maar dit is erg:



Aldus blijkt ook Henk van Hoorn zich ooit te hebben laten gelden. Hij had een vraag gesteld aan Janmaat en tijdens diens antwoord schakelde hij terug naar Hilversum. Zo is deze mediacoryfee ‘nog tijdenlang de held geweest in het café’.
Plaatsvervangende schaamte voor deze dapperheid.
Waarom raak ik desalniettemin niet doordrongen van wat ik voor Niemöllers centrale these houd? Ik vermoed dat mij vrij spoedig niet zozeer verontwaardiging bekroop als wel tristesse.
Janmaat heeft als student politicologie bijvoorbeeld niet meegedaan aan de legendarische Maagdenhuisbezetting. Hij ging alleen kijken wat er aan de hand was en net toen werden de deuren gesloten en kon hij geen kant meer op (vgl. Doeschka Meijsing die toen boeken uit de bibliotheek wilde).
Of deze. Op bezoek bij collega-centrumdemocraat Vreeswijk neemt Janmaat stiekem twee appels uit de fruitschaal en steekt ze in zijn tas.
Of. Janmaat spant een proces aan tegen zijn oude middelbare school, die hem liet weten niet welkom te zijn op een reünie, ondanks het feit dat hij de vereiste 17,50 al betaald heeft.
Door die intreurige anekdotes raak ik afgeleid. Ik sta niet meer scherp wanneer er morele mist door het boek trekt. Zoals wanneer Gijs Schreuders op de Utrechtse School voor Journalistiek met ontslag dreigt als er in 1997 bij een andere lesgroep Janmaat voor een debat uitgenodigd wordt – en van de directeur zijn zin krijgt, wegens ‘veiligheidsproblemen’.
Plus een column van Jan Blokker daar weer over, met een onvoorstelbare arrogantie: ‘Je inviteert een geestelijke kneuzing, uit wiens enigszins scheefhangende mond door niemand ooit een argument is gehoord…’ (ook Joost Zwagerman heeft zich verbaasd over toon en zede van iemand die als grootheid werd beschouwd en die de Volkskrant gebruikte als openbaar toilet).
Helemaal idioot, ranzig enz vind ik dat in 1993 Bono bij een U2-optreden in het Goffertpark voor 54.000 mensen het telefoonnummer van Janmaat genoemd en gekozen blijkt te hebben, en hem toegezongen ‘I just called to say I love you’.
Maar op het moment van kennisname daarvan was dit even professionele (toegankelijk, vaardig) als amateuristische (dik, onevenwichtig) boek voor mij al komisch geworden. Ik vrees dat ik een slecht mens ben, te hebben gelachen met de niet-aflatende ellende van een ander.
Nu nog twee passages uit De verschrikkelijke Janmaat wegens Niemöllers overtuiging dat hij tenminste de wereld, hoe onwelgevallig ook, laat zien zoals deze is.
Hij beschrijft op pagina 204 een etentje bij Willem Oltmans, waar de wat aristocratische CP-denker Henry Brookman kennismaakte met Adriaan van Dis (en Max Pam). Bedoeling was dat Brookman zou worden uitgenodigd in het fameuze televisieprogramma, maar dat zou de presentator niet hebben aangedurfd. Bovendien: ‘Pam en Van Dis zijn types die alles al weten en niet werkelijk openstaan voor nader onderzoek’.
Hier staat in een noot een bronvermelding bij: ‘Oltmans, Memoires 1980’. Maar in dat jaar bestond Hier is… Adriaan van Dis nog niet. Dat programma begon in 1983. Wel zou Oltmans daar zelf in 1985 geïnterviewd worden, nogal memorabel.
Dan vanzelfsprekend een gedicht. Hans Janmaat schreef het en stuurde het in 1981, op een vakantiekaartje uit Venetië, naar de partij-advocaat Van Heijningen:

Welke paden wij nog gaan betreden
Een zaak stemt wel zeer tevreden
De CP heeft aan haar kant
De sterkste pleiter van het land

Ik citeer het gedicht naar het handschrift op de binnenflap van Joost Niemöllers boek. In de lopende tekst citeert hij het kwatrijn zelf, maar het accentje in het eerste woord van de tweede regel bespeur ik niet in het origineel. En in plaats van ‘pleiter’ zet Niemöller ‘advocaat’.
Enfin.
Ook hier tristesse trouwens, mede omdat de dichter zijn pennenvrucht signeerde als ‘drs J. Janmaat’.
(Of was dat toen, vlak voor de tweefasenstructuur, nog net aanvaardbaar? In het artistiek te noemen deel van Nederland bestonden in 1981 in mijn herinnering Drs. P, Drs. Loek Brons en Drs. Ed Populier).

zaterdag 21 januari 2017

Empty talk



De berichten blijven komen, ditmaal even uit Nederland. Het jaar 2017 had zich amper op gang getrokken toen een vijftienjarige scholier na pesterijen met fictieve accounts vond dat het voor hem genoeg was. Bij mijn weten niet gecontextualiseerd, en zo totaal hulpeloos, was het nieuws over een leraar wiskunde die van een gymnasiumdak gesprongen was.
Het zal vroeger, toen Old McDonald alleen nog een farm had, allicht ook zijn voorgevallen. Maar op deze schaal?
Onze hartenbrekertjes zitten op een school die deelneemt aan een KiVa-project tegen pesten. Het bleek een sympathiek idee te herbergen uit Finland waar het sinds 2009 in werking is. De basis, zo werd een tijd geleden op een voorlichtingsavond uitgelegd, is solidariteit. Niet de gepeste hoeft zich slachtoffer te voelen, maar de hele groep wier eenheid wordt verstoord.
Wow.
Nu de geschiedenis leert dat Amerika terug aan de Amerikanen wordt gegeven, lijkt het me een aardig moment om dit idee van een paar kanten tegelijk te bekijken. In zijn inaugurele rede pleitte Trump namelijk voor (de pursue van) ‘solidariteit’. Andermaal begreep ik zijn betekenis niet, gelet op de context. Ondanks dat hij had verordonneerd, ter plekke, dat de tijd voor ‘empty talk’ voorbij was.
Misschien heb ik het allemaal niet goed begrepen, omdat de gourmande me simultaan met geknuffel, woede en vleierij aan het bewerken was om door te zappen naar Ghost Rockers. Ze vroeg zich trouwens af of die meneer een Marokkaan was met geverfd haar.
Volgens het KivA-project uit solidariteit zich in daadwerkelijke actie. Dat is nog geen sinecure. Namelijk: niet meelopen. Wel: gezamenlijk in opstand komen tegen onrecht, zelfs als dat wordt gepleegd door een schijnbaar sterkere (die volgens KiVa ook zorg verdient, veeleer een probleemgevalletje zijnde).
Dat meelopen... In haar roman Malva last Hagar Peeters een gesprek in waarin Socrates met de geëngageerde dichter Pablo Neruda van gedachten wisselt naar aanleiding van zijn gehandicapte dochter. Hij stopt het meisje namelijk weg, geheel tegen de principes van zijn poëzie, waar solidariteit het begin van alles is.
De dichter geeft eerst een jij-bak: Socrates heeft door zijn vrijwillige dood per gifbeker zijn eigen kinderen evengoed in de steek gelaten. Maar volgens de filosoof zouden zij pas hebben geleden onder hun vader, wanneer deze zich een lapzwans had betoond.
Vervolgens erkent Neruda dat, conform zijn poëzie, zijn dochter evenveel recht had op een rechtvaardige behandeling als niet-zieke mensen, maar vermeldt graag dat zijn gedichten slechts intenties laten zien, en dus geen uitkomst garanderen.

zondag 15 januari 2017

High Five



Het blijft jammer dat Obama pragmatiek liet overheersen en met zijn veranderingsagenda pas in het zicht van de finish begon te versnellen. Er valt meer kritiek op de marathon van zijn beleid te bedenken. Maar altijd stond de wind principieel tegen.
Wat de Republikeinen acht jaar lang tegen de president hebben gedaan, tart elke verbeelding. Als hardcore punkers gedroegen ze zich. Ze ontplooiden, met een term van Abou Jahjah, destructief radicalisme. Normaliter zou er dan van alles in elk geval moeten veranderen. Maar de Republikeinen bliezen hun tegenwind juist voor het behoud van wat Abou Jahjah, hulpeloos, noemt ‘de status-quo’.
Met inbegrip van die tegenkrachten valt er over Obama veel lofwaardigs te vertellen. Ik blijk de laatste weken niet de enige die nog een pluspuntje naar voren schuift: de concerten op het Witte Huis.
Daar zat de verklaarde muziekliefhebber die de president zou zijn niet alleen publiek te wezen, hij bewoog ook echt in de maat! Net als vrouwlief, die de teksten van Stevie Wonder tot en met Missy Elliot bovendien uit haar hoofd kent.
Of komt deze opluchting vooral voort uit een contrast? Ik denk meteen aan Bill Clinton, die bij de geringste trilling bewoog als een ledenpop. Ook leek hij fan van Fleetwood Mac. Het in gebluste wanhoop en escapisme geschreven ‘Don’t stop’ begeleidde althans zijn campagne. Bovenal wist Clinton – net als Hans Dijkstal – geen fatsoenlijke toon uit zijn met liefde geëtaleerde saxofoon te krijgen.
Ik kan het me niet voorstellen dat Clinton bij een funknummer op het podium komt en in de correcte ritmiek subsidies aan kunst aanbeveelt. Laat staan dat zo iemand muzikanten trakteert op high fives en omhelzingen.
Het contrast geldt uiteraard ook de gevreesde toekomst. Velen, inclusief ikzelf, vonden het bizar uitgerekend bij Trump ‘You Can’t Always Get What You Want’ te horen. Iets te slim vindt Bas Heijne in Onbehagen die muziekkeuze logisch, omdat Trump sowieso niets aan de werkelijkheid verplicht zou zijn.
Inmiddels gaan er erg gretig geruchten over artiesten die weigeren de inauguratie luister bij te zetten. Alom vliegen clichés én zogenaamde nuanceringen over countrymuziek in het rond. Misschien toch maar de vooroordelen inslikken en gewoon even wachten wat Trump de ether in slingert?
Met nog een andere president bestaat er bovendien een aantoonbaar contrast. Er zijn beelden van zo’n wittehuisconcert onder Nixon, door de Ray Coniff Singers. De president leidt het gezelschap met een zeldzaam gevoel voor zelfkennis in dat zijn smaak ‘burgerlijk’ (square) zal zijn.
Desondanks werd het een legendarisch optreden, door de onverwachte interventie van een zangeres die Nixons Vietnambeleid aan de orde stelde.
Zit een muzikant bij Obama dan altijd safe? Mij vermoeien zo onderhand de beelden waarop de president weer eens traantje wegpinkt. Maar ik wil mijn wantrouwen opschorten.
Hij is eveneens te zien in betovering door wat toch de zoveelste versie door Aretha Franklin moet zijn geweest van ‘Natural Woman’. Ook de maakster, Carole King dus, was aangedaan en de zangeres, achter de vleugel begonnen met een bontjas aan, wierp bij het laatste refrein alles van zich af.
Op zijn beurt volhardde Obama in zijn slotrede met het verbindende ‘Yes, we can’, naar Allen Toussaint. Kortom, een funky president? Dat zou pas een griezelig cliché zijn: met zwart is het goed dansen.
Wel heb ik na Hiatus Cayote nog een ontdekking gedaan die ‘mijn’ jazzrock uit de jaren zeventig alsnog weet op te rekken: Jacob Collier. Zelfs de aandoenlijk stramme voetjes van Eleanor Rigby krijgt hij van de vloer.
Een jonge witte jongen die in zijn blik al iets van de waanzin van de congeniale Jaco Pastorius heeft. Vanwege die belachelijke observatie is het dus echt beter te zwijgen. Have pity on the working man.

maandag 9 januari 2017

Melktanden onder een kussen



Gepiekerd over een motiverende openingsposting in het nieuwe jaar, over het vak en zo. Misschien is dat idee verkrampt, omdat met het groeien der jaren de afstand toeneemt tot de talenten die het maken. Literaire tijdschriften vragen alleen nog om abonneegeld.
Verleidelijk me te verliezen in gedachtes over dat het ‘in mijn tijd’ op een of andere manier beter was, ambachtelijk, ethisch, enz. Het is een gratuite vergelijking omdat me zowel toen als nu het overzicht ontbreekt. Nu hooguit nog meer.
Graag wil ik blijven kunnen streven en vertrouwen. Ik spiegel me aan het taalkundig genie dat haar geloof in Sinterklaas dan wel heeft opgegeven, maar de tandenfee nog onverminderd in haar systeem bewaart (ten koste van dezelfde portemonnee).
Ik zag het eerste deel van de televisiereeks De prijsvechter, die de wassende ongelijkheid door de globalisering toont aan de hand van koopgedrag. Aanleiding zijn ‘als paddenstoelen opschietende’ winkels met nepsnuisterijen voor maximaal 3 euro, gemaakt ‘in het verre Oosten’. Behalve leerzaam was de uitzending wat mij betreft sympathiek omdat de presentatoren hun geïnterviewden intact lieten in hun soms discutabele gedrag en opvattingen.
Door mijn nostalgische stemming vroeg ik me af of er ook poëzie bestaat die snuisterend valt te noemen. Grasduinend door aantekeningen stuitte ik op Finse meisjes, het veelbesproken debuut van Kira Wuck. Nadat ik het eindelijk gelezen had, bleek het meest aan de bundel bijgebleven te zijn de biografische informatie: ‘is half Fins, half Indonesisch en groeide op in Amsterdam’. Dit oogt tenminste als exotisme.
Toen ik dat schreef wilde ik niet arrogant klinken, en nu nog niet.
Kira Wuck gaf mij de indruk wel wat te kunnen. Het werkwoord ‘plakken’ kwam meer dan eens voor. Maar was deze poëzie conform de biografische informatie oninwisselbaar?
Dit gedicht:

Je kan heel vrolijk kijken zonder te glimlachen
zei de ambtenaar terwijl hij mijn pasfoto keurde
het stelde me gerust

Wat is het ergste wat je gedaan hebt, vroeg hij
Een konijn vergeten uit de zon te halen
ik wist niet meer of het expres gebeurde
wel dat de kamer naar verkoolde worst ging ruiken

Ik legde mijn melktanden onder een kussen
maar kreeg er nooit een knaagdier voor terug

Na De prijsvechter denk ik dat het knaagdier niet van vlees en bloed geweest zou zijn. Discountwinkels bieden er ontelbare kunstvarianten van. De gourmande slaapt er momenteel met twee, maar houdt er, weet ik uit nachtelijke verschoonsessies, zevenentwintig in reserve. Deze ‘knuffels’ kosten amper iets.
Terzijde. Is er iets in dit gedicht dat ik niet elders heb gelezen? Toch zou ik nieuwsgierig zijn naar de ontwikkeling van Wuck, want dit werk oogt minder universeel dan Hollands: navel als centrum, familie- en liefdesverhoudingen en barsten daarin, de schrijven-is-schrappen-techniek, zachte ironie.
Hollands is tevens dit commentaar, zeker wat betreft die nieuwsgierigheid. Er is inmiddels meer van Wuck gebundeld, proza, en daar heb ik geen blik op geworpen.
Wanneer het gaat om de aanstichters van de globalisering, dan wijzen vingers snel naar Thatcher en Reagan. De prijsvechter noemde dat duo ook, maar liet historische beelden zien van hun voorganger Jimmy Carter die in 1979 een akkoord sloot met Deng Xiaoping, als gevolg waarvan we al die troep zouden inslaan.
En dan ben ik al vertrokken naar iets anders, van de gerenommeerde vertaler Hans van Pinxteren, tevens dichter, in Spiegeling voorbij de weg. Een kleine twintig jaar geleden las ik die bundel, zijn zevende, en bleef mijn oog hier haken:

Het kind springt, springt
naar de vogel op. De vogel
rukt aan de lijn in de hand
van een oude man.

De gebogen man
houdt van hem, streelt hem,
houdt hem buiten bereik
omhoog in de wind.

Haalt hem aan, koestert hem:
zijn arend is een goede vlieger,
ja zo is zijn arend zijde,
de vleugels zijdezacht.

Maar het kind springt hoger:
langzaam loopt de grijze weg
over het plein. In de wind
rukt de vogel aan het fijne touw.

Ach, het is avond. Aan de hemel
spuwen draken uit vuren monden,
de staarten ladders tegen
lichtend groen. Wijder nog spreidt

de arend de vleugels. En rukkend,
reikend, zich ontvouwend
klimt hij, huiverend in de wind,
uit de hand van de meester op

Destijds heb ik geprobeerd dit gedicht te analyseren. Eerst voor een literair tijdschrift, later in bewerkte versie voor een essaybundel. Nu mag ik me de gelukkige eigenaar noemen van een bibliofiele uitgave: Vogels, Vlinders en andere Vliegers. De maker verklaart amper nog te vertalen, en nog altijd gedichten te schrijven.
Melancholisch word ik van die mededeling, en vreemd gelukkig.
In dit boekje staat het vliegergedicht eveneens, met twee veranderingen. Er is bezuinigd op de interpunctie. Met name punten hebben het veld geruimd, af en toe een komma in de plaats. Dit veroorzaakt minder hoofdletters. Maar de grootste wijziging betreft een toevoeging. Het gedicht heeft namelijk een titel gekregen: Op Het Tiananmenplein
Wat lees ik nu? Het Plein van de Hemelse vrede? Onmogelijk om dan niet te denken aan de studentenprotesten van 1989, aan de hoeveelheid slachtoffers die het regime toen aanrichtte en aan de man met de witte plastic zak die een rij tanks staande hield.
Laat Van Pinxteren door die intertekst van de wereld het verhaal niet dramatisch aflopen? Groei en verandering, ze lijken onbeheersbaar. De vlieger met arend is nog van zijde, dus zal een duit meer hebben gekost dan de Action biedt in plastic varianten met neonstrips.
In een symbolische lezing kan de vlieger een ideaal vertegenwoordigen, onder het in China regerende communisme dat van gelijkheid. De oude man annex meester wordt dan het regime en het kind de burger.
Het idee van De prijsvechter luidt dat we met onze impulsen tegenover spotgoedkope tinnef onze eigen wereld aan het vernietigen zijn. Maar het kind doet niets ander dan vergeefs springen, alsof hij degene is die aan het touwtje zit. Het kan toch niet zo zijn dat idealen zo vanzelfsprekend verdwijnen, als de spreekwoordelijke dief in de nacht?
Ik voel me geloof ik te jong om me daar in 2017 bij neer te leggen.

zaterdag 31 december 2016

Really?


Er is veel gezegd en geschreven over de popmuzikale sterfgetallen die in 2016 te betreuren vielen. Aangezien het hier gaat om een gemeenschapscheppend specialisme dat met de babyboomgeneratie pas waarlijk verbreid werd, zal deze weemoed nog wel even aanhouden. Raar idee, dat er, nog los van hun managers, ooit geen Beatle meer op aard’ zal rondlopen.
Wel heeft ieder uiteraard zijn gevoeligheden. Dat op eerste kerstdag George Michael overleed deed mijn temperatuur minder stijgen dan dat Alphonse Mouzon hetzelfde op dezelfde dag gebeurde.
Terugkijken, selecteren, generen.
Prince was natuurlijk hors categorie, maar tot zulke gouden doden hoorde naar mijn gevoel zeker Maurice White. Net als Muhammad Ali blijkt hij ‘Stand By Me’ te hebben gecoverd.
Vanuit mijn jarenzeventigmanie rinkelden er ook bellen bij het nieuws dat Rod Temperton was overleden. Aan het zalig stompzinnige liedje ‘Girls’ van Moments & Whatnauts uit 1975, dat ik op een of andere manier associeer met het decennium, werkte hij bij live-optredens mee.
Hij was de auteur van ‘Star of a Story’ en dé man achter Heatwave. Pas na Tempertons dood dringt tot me door dat ‘Always And Forever’ van die band was. De grootste hit van Heatwave bleek ‘Boogie Nights’. Maar die baslijn kwam me wel erg bekend voor, van Michael Jackson. Totdat ik begreep dat dit ‘Off The Wall’ ook van Temperton was en hij dus autoplagiaat pleegde.
Weinig later kwam ik door het overlijden van Lydia Tuinenburg op het spoor van de megahit Send Me The Pillow’ door Lydia & The Melody Strings, op de rand van 1959/1960. En dat liedje, zelf een cover, brengt me bij een liedje uit mijn jeugd, ‘Ik lig op mijn kussen stil te dromen’ van het legendarische duo Hepie & Hepie.
Ik had dit kunnen weten uit het prachtige project De Cover Top-100 van Vic van de Reijt (2001). De Nederlandstalige bewerkingen van meestal Engelse liedjes stammen bij hem hoofdzakelijk uit Nederland. Hadden generaties Belgische zangers – van Wim De Craene over Louis Neefs naar Zjef Vannuytsel tot Wannes Van de Velde – zich beperkt tot eigen werk?
De vraag stellen is hem beantwoorden. De eerste die me te binnen schiet is Jan De Wilde, met ‘Naakte Man’. Maar dat nummer kwam na Van de Reijts sluitingstermijn. En eigenlijk is mij ‘Naked Man’ door The Pilgrims dierbaarder; die de oorspronkelijke taal handhaafden en dus niet mogen meedoen.
De schrijver van dat nummer, Randy Newman, raakte opnieuw binnen mijn blikveld door de televisieserie Treme. Daar was een rol weggelegd voor zijn ‘Louisiana 1927’, dat ik ooit voor een draak van een nummer hield. Het verwijst naar een ramp in een arme staat die ook weer niet op het repertoire van iedereen staat.
Van de Reijt ruimt wel plaats in voor Raymond van het Groenewoud. Prompt gingen mijn gedachten naar een variant van de cover: de herneming annex bewerking van een eigen nummer. Met ‘Vlaanderen Boven’ deed Van het Groenewoud het zelfs tweemaal. In 2002 steeg daarover het eerste gemor op. De recente versie van ‘Vlaanderen Boven’ liet pas echt een rioolput opengaan over multiculturalisme en politieke correctheid.
De alomtegenwoordige terugkijkcultuur in ronde getallen liet me kennismaken met de naar verluidt allereerste punksingle, uit 1976: ‘New Rosie’ van The Damned. Het liedje begint met de van ongeloof puilende vraag ‘Is she really going out with him’. Was dat twee jaar later niet de titel van een hit van de hyperbewuste zanger-componist Joe Jackson?
En door een piepklein instrumentaal fragment uit de film Boyhood realiseerde ik me pas dat de melanchool trekkende gitaar in ‘Band on the Run’ (Paul McCartney & Wings) uit 1974 even later is gekopieerd door niemand minder dan Peter Maffay in ‘Und Es War Sommer’ – een nummer dat in Nederland meer renommee heeft door Rob de Nijs’ coverversie ‘Het werd zomer’.
Dat er dus ooit geen Beatle meer zal rondlopen, krijgt geen vat op de eeuwige levensdrift van muziek die ertoe doet. Een vrolijk stemmende vaststelling, waarop minstens gezongen mag worden.